Pramoedya over collaboratie en verzet; Een ridder in lompen

Pramoedya Ananta Toer: De vluchteling. Vert. Angela Rookmaaker en Alfred van der Helm. Uitg. De Geus Breda, 188 blz. Prijs (f) 37,50

Pramoedya Ananta Toer is een van die schrijvers wier leven aanleiding geeft tot eindeloze commentaren. Zijn omstreden rol in de Lekra (de communistische kunststichting tijdens het bewind van Soekarno), zijn internering als politiek gevangene op het eiland Buru van 1965 tot 1979 en zijn status van verboden schrijver in Indonesie en mogelijke kandidaat voor de Nobelprijs spreken tot de verbeelding. Inmiddels zijn er al tien boeken in Nederlandse vertaling verschenen, zodat het werk zelf de aandacht kan krijgen die het verdient. De op Buru geconcipieerde tetralogie Aarde der mensen is hier verkrijgbaar alsook De pionier, een verhandeling over de vader van de Indonesische journalistiek, wiens levensfeiten Pramoedya bij het schrijven van zijn tetralogie hebben genspireerd.

Wie Pramoedya is, leert men het beste kennen uit zijn autobiografische Lied van een stomme, waarin een huiveringwekkend beeld wordt geschetst van de systematische identiteitsberoving van politieke gevangenen. Het pleit voor Pramoedya, dat hij zich niet overgeeft aan zelfbeklag, maar voortdurend algemener thema's entameert, zoals de psyche van de Javaan en de rol van de staatsideologie. Zijn latere werk, uitgegeven door Manus Amici, Wereldvenster en de NOVIB, is door eigen ervaringen getekend en gewijd aan de bestrijding van het taboe dat in Indonesie bestaat op de geschiedenis.

Van zijn vroegere werk zijn bij ons bekend de novellen Meisje van het strand, het ontroerende levensverhaal van Pramoedya's grootmoeder, en Corruptie, dat begint als een Elschottiaans verhaal over een ambtenaar die het telkens op een akkoordje gooit met zijn geweten, maar minder overtuigend voert naar een sterk ideologische climax: de corruptor wordt ontmaskerd en komt tot bekering. Van Pramoedya's vroege verhalen zijn aan het eind van de jaren zeventig twee bloemlezingen verschenen bij Leopold die alleen nog antiquarisch verkrijgbaar zijn. Maar nu heeft uitgeverij De Geus het gelukkige initiatief genomen om al het vroege werk in Nederlandse vertaling te publiceren. Enige tijd geleden verscheen Guerillafamilie, het verhaal over de lotgevallen van een Indonesische familie tijdens de strijd tegen het koloniale bewind. En nu is in een mooie gebonden uitgave De vluchteling verschenen.

Angela Rookmaaker en Alfred van der Helm hebben het boek voortreffelijk vertaald. In hun voorwoord vertellen zij hoe Toer als 23-jarige in Nederlandse krijgsgevangenschap deze eersteling binnen een week schreef, als een bonk concentratie, gehurkt op een margarineblik. Han Resink, dichter en hoogleraar aan de Juridische Faculteit, smokkelde het manuscript de gevangenis uit. Toen Pramoedya in 1949 werd vrijgelaten, bleek hem dat zijn boek een prestigieuze prijs had gewonnen. Zijn schrijversnaam was in een klap gevestigd.

Het voorwoord van de vertalers besluit tamelijk dramatisch met de stelling, dat het warme onthaal van dit boek in schril contrast staat 'met de schier onafzienbare rij meesterwerken die in later jaren stuk voor stuk in eigen land verboden zullen worden'. Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst, dat Pramoedya's uitgever Hasta Mitra na zijn vrijlating zes boeken op de markt heeft gebracht, die alle enkele maanden na verschijning door een verbod werden getroffen. Die 'markt'

bleef beperkt tot het winkeltje van de uitgever in de Pasar Senen, want de 'normale' boekhandels passen zelfcensuur toe. Voor de coup van 1965 is alleen zijn boek over de Chinezen verboden. Maar zijn literaire werken, of ze nu meesterwerken waren of niet, zijn onder Soekarno altijd grif gedrukt. In het huidige Indonesie blijft Pramoedya een beladen naam, terwijl zijn werk volslagen onbekend is, want van de 'samizdat'-uitgaven die op het omslag worden genoemd heb ik nooit iets gemerkt. Literaire belangstelling is in een land dat geen leescultuur bezit sowieso een luxueuze afwijking.

In De vluchteling valt gemakkelijk het talent van een meester te herkennen. Deze roman speelt in Oost-Java in de tijd dat het Japanse rijk op instorten staat. De Japanse overheersing heeft diep gesneden in het leven van de Indonesiers, dat beheerst wordt door de angst voor het samoeraizwaard. Het is die angst die loyaliteit tot een zeer betrekkelijk begrip maakt. Door het Japanse optreden zijn de traditionele verhoudingen op hun kop gezet en is de feodale hierarchie aangetast. In het brandpunt van de roman staat Raden (Den) Hardo, zoon van een districtshoofd van hoge afkomst. Hardo's voorouders zijn allen op gewijde plaatsen begraven. Hoe bestaat het, dat deze edelman zo diep is gezonken, dat hij in lompen gehuld gaat en herhaaldelijk aan zijn gat krabt?

Den Hardo's leven nam een ommekeer toen hij als stadswacht de Nederlanders hielp Soerabaja te verdedigen. Een Japanse bajonetsteek bezorgde hem zijn 'medaille van Nederlands-Indie'; een langwerpig litteken op zijn rechterhand. Vervolgens diende hij als Shodanto (pelotonscommandant) in de Peta, het Indonesische vrijwilligersleger.

Collaboratie met Japan werd door een groot aantal Indonesiers gezien als de weg tot bevrijding van het Nederlandse gezag. Naarmate het Japanse juk zwaarder op de bevolking ging drukken, groeide de haat tegen de nieuwe overheerser. Begin 1945 begon de Peta in Blitar een opstand tegen de Japanners. In Pramoedya's roman is Den Hardo de leider van een opstand die gelijktijdig op een andere plaats had moeten uitbreken. De sterren aan de hemel waren de stomme getuigen van de plechtige gelofte die hij samen met een aantal kameraden aflegde.

Maar een van die trouwe makkers, Karmin, was door persoonlijke omstandigheden zo aangeslagen dat hij op het afgesproken moment niet in actie kwam, waardoor de opstand faalde. Karmin bleef als Shodanto de Japanners dienen, terwijl zijn krijgsmakkers op de vlucht sloegen.

Over dit verraad blijft Hardo de hele roman door piekeren. Tegen alle pressie in weigert hij Karmin zomaar af te schrijven. Hij ziet hem als een goed mens, die alleen tijdelijk getroffen is door een ziekte, door de ziekte en gekte die het gevolg zijn van onderdrukking.

WAJANG

De vluchteling is opgebouwd uit vier hoofdstukken, die aandoen als scenes in een wajangvoorstelling. In elke scene komt Hardo tegenover een andere tegenspeler te staan. Zijn eerste confrontatie is met het dorpshoofd van Kaliwangan, de vader van zijn verloofde. Het dorpshoofd heeft zich in de Japanse tijd door teakhandel weten te verrijken en tracht de ongewenste schoonzoon met mooie praatjes mee te lokken. Het knappe van de roman is, dat de mate van collaboratie van het dorpshoofd pas langzamerhand aan het licht komt. Uiteindelijk draait het lot hem een gruwelijke loer.

De ontknoping komt met de overgave van Japan. Als de trein uit Rembang met het definitieve nieuws komt, slaat de stemming onder het volk om.

De roman heeft een dramatische ontknoping: de Japanse commandant maakt amok en schiet zijn Luger-pistool leeg in de menigte.

In een essay in Lied van een stomme heeft Pramoedya zijn afkeer beleden van de wajang, waarin altijd en eeuwig het feodale patroon wordt bevestigd. In De vluchteling speelt de wajang nog een belangrijke rol. Door het optreden van de Japanners zijn de feodale verhoudingen wreed verstoord. Hardo, telg van de oude adel, probeert door ascese de innerlijke kracht te winnen om de vijand te weerstaan.

Hierin is hij een echte Javaan. In zijn woorden klinken ook existentialistische geluiden door.

Op een gegeven moment zit Hardo, als bedelaar vermomd, te praten met zijn vader. In de verte horen zij de episode uit het wajangspel over 'de strijd tussen demon en ridder, tussen de lage driften en het hoger Zelf'. In De vluchteling wordt aannemelijk gemaakt dat deze strijd binnen ieder mens woedt en dat veelal de omstandigheden bepalen of de demon of de ridder zal overwinnen. Pramoedya heeft Hardo een ridderlijke inborst gegeven, maar geen heilige van hem gemaakt. De vluchteling is een boek dat wordt beheerst door een haast ondraaglijke psychische spanning. Het kan niet anders, of de schrijver heeft in Hardo's gekwelde monologen veel van zichzelf gelegd.