Marinewerven vragen Kamer om steun

ROTTERDAM, 7 JUNI. De drie Nederlandse marinewerven hebben er bij de Tweede Kamer op aangedrongen dat de overheid toezeggingen doet voor de toekomstige aanbesteding van marineschepen. De in de Defensienota voorgenomen aanschaf van een aantal schepen zou moeten worden vervroegd, vinden ze.

In een nota aan de vaste kamercommissie voor Defensie stellen de drie werven - Koninklijke Maatschappij De Schelde (KMS), Van der Giessen-de Noord Marinebouw en de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM) - dat de marinebouw niet kan ontkomen aan de daling van de vraag naar defensiematerieel. Wel dient de aanpassing zo evenwichtig mogelijk te worden gespreid om de werven in staat te stellen de benodigde technologische capaciteit te handhaven. Ook zouden de werven een voorkeurspositie moeten krijgen bij ontwerp en ontwikkeling van nieuwe marineschepen. Dat de overheid in omringende landen, in tegenstelling tot de Nederlandse regering, de nationale defensie-industrie van strategisch belang acht voor defensie en economie zou de Nederlandse marinebouw nu al in een achtergestelde positie hebben geplaatst.

De in maart gepresenteerde Defensienota voorziet pas weer in de tweede helft van de jaren negentig in de aanschaf van nieuwe schepen, waarvan nog onduidelijk is of die opdracht in Nederland terechtkomt. De drie werven vrezen daardoor dat de Nederlandse marinebouw daardoor niet in staat zal zijn de huidige capaciteit op peil te houden. De Defensienota bepleit wel behoud van de technologische kennis, maar het rendement daarvan is volgens de werven zonder industriele toepassing zeer laag.

In hun nota stellen de gezamenlijke marinewerven dat ze als enige nationale defensie-industrie in staat zijn een compleet verdedigingssysteem te ontwikkelen, te produceren en in bedrijf te stellen. Verwaarlozing van de bedrijfstak zou niet alleen de werven treffen, maar ook onderzoeksinstituten en de toeleverende industrie.

Volgens de werven bestaat er een bijzondere relatie met de overheid, hun voornaamste opdrachtgever, waaruit een aantal verplichtingen voortvloeit. De overheid is (mede-)eigenaar, ze heeft sinds de verzelfstandiging van KMS en RDM in 1983 grote invloed gehad op capaciteit en bedrijfsvoering en de marktverdeling, ze heeft veel bijgedragen aan de ontwikkeling van de schepen die nu in aanbouw zijn.

Naast concrete opdrachten zou dat ook reden moeten zijn voor de “onmisbare” ondersteuning van de bedrijven op de marine-exportmarkt.

Minister Ter Beek schrijft in zijn Defensienota dat een militair-strategische noodzaak om de nationale defensiesector te beschermen ontbreekt en hij constateert dat Nederland voor bepaalde wapensystemen van het buitenland afhankelijk is. Volgens de werven is dat niet bepalend voor hun relatie met de overheid. De afgelopen jaren was Nederland immers ook voor haar veiligheid en militaire materieel afhankelijk van haar Nato-partners. “Ook destijds ging het er niet om of de defensie-industrie voor de nationale veiligheid zo belangrijk is dat ze tot elke prijs in stand dient te worden gehouden”, betogen de drie werven. “De vraag was en is veeleer op welke wijze in deze bijzondere sector, gezien het defensie- en industriebelang dat zij vertegenwoordigt, zo goed mogelijk behouden kan blijven.”