Lichte toon in Parcival-bewerking van Veldman

Voorstelling: Parcival van Jan Veldman door Het Zuidelijk Toneel. Regie: Matthijs Rumke; vormgeving: Henk Kraayenzank; spel: Pierre Callens en 40 jongeren. Gezien: 4-6 Schouwburg Eindhoven. Aldaar t-m 14-6

“Als het goed is heb ik je voorbereid op de taak waarvoor je bent voorbestemd.” Aan het woord is Wolfram von Eschenbach; Parcival is zes jaar bij hem in de leer geweest en klaagt dat hij al die tijd niets heeft opgestoken. Von Eschenbach denkt daar anders over, al kan hij niet precies aangeven wat de jongen bij hem heeft geleerd - dat is een van de vele raadsels die Parcival zelf moet zien op te lossen.

Het is een curieuze ontmoeting: Wolfram von Eschenbach, schrijver van de Parcival-legende, treedt op in zijn eigen verhaal en raakt in gesprek met zijn geesteskind. Zoals het hier staat klinkt het een beetje flauw, maar in de praktijk is dit idee van Jan Veldman geslaagder dan op papier. Veldman, die eerder onder meer Matilda van Roald Dahl voor toneel herschreef (laatste familievoorstelling van het Ro Theater), bewerkte voor Het Zuidelijk Toneel Wolfram von Eschenbachs versie van het Parcival-verhaal en maakte van het epos een sterk ingekorte toneeltekst die dank zij dynamiek en woordkeus uitermate geschikt is om als uitgangspunt te dienen voor een jongerenproduktie.

Na een oproep in de regionale pers selecteerde regisseur Matthijs Rumke voor Parcival veertig jongeren uit de omgeving van Eindhoven, alleen de titelrol van het stuk liet hij spelen door een professionele acteur (Pierre Callens). Het resultaat is opmerkelijk: de amateurs acteren over het algemeen geroutineerd, trefzeker en met een gemoedelijke zuidelijke dictie. Vooral Steven Groenen is een talent; hij speelt de rol van Von Eschenbach met een ongekende natuurlijke vanzelfsprekendheid en zijn Duits-Nederlandse accent is mooi volgehouden.

Von Eschenbach zit het grootste deel van de tijd terzijde van de speelvloer in zijn werkkamer, waar hij een dik boek leest en af en toe een schaakstuk op het bord verzet. Zijn aanwezigheid is een handige manier om de jaren in het stuk te overbruggen: doordat hij als verteller optreedt wordt de voortgang van het verhaal niet belemmerd door een eindeloze reeks scenes die aannemelijk moeten maken hoe Parcival verandert van twaalfjarige jongen tot tachtigjarige man.

Parcivals leven staat in het teken van het vinden van de graal. De onnozele Parcival (“Mijn naam is kinkel en ik ben niet goed snik”) weet dat hij is voorbestemd om iets groots te verrichten maar hij heeft geen idee wat dat zou kunnen zijn. Op goed geluk trekt hij op een dag in zijn narrenpak de wereld in. Vele ridders van koning Arthur kruisen zijn pad, met de meesten krijgt hij het aan de stok en waar hij maar kan hakt hij ledematen af. De rode slierten die telkens na een gevecht uit de wond hangen maken duidelijk dat hij raak heeft geslagen.

Dergelijke semi-realistische scenes zijn komisch en ontdoen het stuk van de zwaarte en het aureool van heiligheid waarmee het doorgaans vanwege het christelijke mythische karakter is omgeven. De grapjes en de levendige mise-en-scene, waarbij geprofiteerd wordt van een heel diep toneel in de Eindhovense schouwburg, geven de voorstelling een lichte toon, zonder dat men daarbij de draak steekt met de symboliek van het verhaal. Als afwisseling met de talloze solo-optredens waaraan ons toneel zo rijk is, is deze kleurrijke en massale produktie bovendien een aangename belevenis voor de zintuigen.