Land van liefde

Automatisch trek ik naar ze toe. Hun ogen kijken om zich heen. Ze hebben tenminste seks in hun lijf. Ze komen dan ook uit het land van de liefde. Ik mis het, nu al. De jongens praten over Amsterdam. Twee weken met vakantie geweest. “Favoloso”, fantastisch zegt de oudste. Er komt een schittering op zijn gezicht. Het bakje waterkoffie klotst over het tafeltje. Stuurse mensen in de coupe. Buiten alles plat en grijs. Wat is er zo mooi aan Nederland?

“De vrijheid”, zegt de oudste uit Rome beslist. Welke vrijheid? De jongens lachen. Ze laten me kleine blokjes zien in een plastic zakje.

'Libanon' schat ik. “Zomaar te koop”, zegt hij. Maar de kleinste schudt zijn zwarte krullen. Hij kijkt er bijna zwaarwichtig bij.

“Nee”, vindt hij, daar gaat het niet om. “Het is een land op mensen-maat.” “Civile”, beschaafd. En alles werkt! “Ik denk dat de mensen gelukkig zijn hier.”

Begin januari plonsde ik na acht jaar Italie plots Nederland weer binnen. Het was donker en het regende. De gracht onder de treeplank van de verhuisbus glom alsof het een stoep was. Achter me lag een hele wereld. Om mij heen, koud en nat, het land dat een luchtspiegeling was geworden: de treinen op tijd, de rassen vermengd. Dat was wat ik onthouden had. En ook iets met vrijheid en goedertieren.

Ik kocht een 'strippen'- en een 'traject'-kaart, en koffie op het station. “Ja, zo kom je natuurlijk nooit aan de beurt”, kraste een vrouw door mijn ochtendslaap heen. Het was geen grap. Ze keek me niet aan; verongelijkt stond ze in haar schouders. Ze wees naar de vloer, en op de tegels was een zwarte balk geplakt.

Wat wist ik van rijen en van strepen, en van afstand houden voor het loket? Wat wist ik van de verongelijktheid, en bemoeizucht in het bestaan? Ik kwam uit een land waar de mensen kijken, en ruiken en lonken. Daar zijn geen rijen en geen strepen. Niet uit wanorde, maar gewoon omdat het toch niemand ontgaat wie er komt aangeschoven. En bovendien: wat doet het ertoe. “Volgens mij ben je een diepe vrouw”, zegt de man naast me, en laat me voorgaan.

Een spel van vormen vult het bestaan. “Het leven in Italie kent geen inhoud, noch waarheid, noch diepgang”, schreef de Italiaanse filosoof G. Leopardi meer dan honderd jaar geleden over zijn land. “Zoals in feite ook overal elders. Het grote verschil met andere landen is alleen dat het leven hier niet eens de schijn van een inhoud kent.”

Geen Italiaan zal ooit bereid zijn om ook maar iets te offeren aan wat anderen van hem denken. Goed of slecht denken, in het algemeen denken, het heeft allemaal weinig effect: “Mensen raken er slechts door vermoeid.”

Italianen lachen. Ze converseren niet. Ze zingen. Ze eten. Ze flaneren. Ze geloven in de leegheid der dingen: Ze lachen over zichzelf en het leven, en doen dat met meer overtuiging, minachting en kilheid dan waar ook op dit continent.

Soms had ik het koud gehad in het land van de vrijheid. Dan droomde ik van lange gesprekken, gedoe, vriendschap, regelmaat en afspraken die worden afgezegd als ze niet doorgaan.

“Geachte bewoner van dit pand”, schreven mijn nieuwe Amsterdamse buren. Ze moesten lang over mij hebben gedacht. Zo'n meisje verloren in een nieuw land. “Ter uwer orientage”, stond er boven het grauwe briefje dat onder mijn voordeur werd doorgeduwd. In krullende letters volgde de rest: “De vuilnisman komt op dinsdags en donderdags - in de ochtend, de zakken moeten op de Groenburgwal worden neergezet, omdat de Gemeente niet in onze straat kan komen; Dus geen zakken in het weekend buiten zetten en ook niet in de avond want daar krijgen we alleen maar troep van en we willen een redelijke schone straat.”

Ondertekend: 'Bewoners nr.34'. En ik had nog niks verkeerd gedaan! Ook mijn vrienden waren in groten getale gekomen om voor de eerste opvang te zorgen. Bloemetjes, hapjes, wokkels en pretletters. Ze hadden de boel gezellig gemaakt. En nu werd er gepraat. Echt gepraat.

Over M. bij voorbeeld, die er de laatste tijd zo 'gespannen' uitzag. “Hij rent zichzelf voorbij. Ik maak me daar zorgen over”, zei de een. “Ik ben niet zo'n fan van therapie, maar in zijn geval...”, was het antwoord van de ander. En toen vroegen ze ook naar mij. Ik vertelde hun over mijn afscheid in Rome. Niemand was op het feest gekomen. Voorspelbaar, want het had geregend. Ze vroegen me wat ik vond en dacht. “En hoe voelt dat? Wat zijn je emoties?” Ik kon mijn oren haast niet geloven. “Dat is gewoon vriendschap”, zeiden ze.

Ik was weer in Nederland. Ik was weer thuis. Het land van liefde, dat was hier! Er werd veel gesproken, maar niet gezongen en niet gelachen, want iedereen moest toch snel weer weg. De kinderen, yoga, het buurtcomite... Nog zoveel te doen, er moet nog zoveel gebeuren, voordat iedereen gelukkig zal zijn...

Mijn nieuwe werk was in Den Haag. “Geen kaartje!” riepen de kinderen toen de controleur in de deur verscheen. De middelste coupe van de 'Amsterdam-Dordrecht' zat vol Surinaamse tieners. Ze waren vrolijk en uitbundig. Ze wisten precies hoe ze het aan moesten pakken: “Ik heb de OV-kaart van de vriend van mijn broer”, riep een jongen. “En ik een kinderkaartje”, zei een meisje met een kroespluim op haar hoofd.

Ze greep haar vriend krachtig tussen de dijen, en drukte hem een schuimende zoen op zijn mond. De vrouwelijke controleur moest stotteren van pure ellende. De kaartjes controleerde ze niet. Ze stond daar maar met haar hoed en haar sjaaltje, en haar bleke overbeetje.

“Ja, zo doen we dat niet”, had ze gezegd. De kinderen joelden tegen elkaar “Zo doen we dat niet, man. Zo doen we dat niet!” Toen was ze de coupe uitgelopen. De deuren van de trein werden vergrendeld. Klik: “Wegens omstandigheden zullen we tien minuten tot een kwartier vertraging hebben”, werd er netjes omgeroepen. De Spoorwegpolitie kwam, en alle kinderen moesten de veewagen in. Behalve ik: “Waarom?”. Een agent duwde me opzij. “Daarom”, zei hij. Het was mijn eerste vertraging geweest.

'Allochtonenintegratiebeleid', leerde ik later. 'Speerpuntennota', 'gefaseerde drietrapsraket', en 'beleidsresistent probleem'. Den Haag was voor mij een oase. Woordvoerders voerden woord, en voorlichters lichtten voor. De telefoon werd opgenomen, en politici zeiden 'wij met z'n allen', en 'onze verantwoording'. Er was niets dat hen ontging.

Stapels rapporten, en nota's en commissies waarmee de wereld te lijf wordt gegaan. De hele dag zijn ze in de weer met de problemen van anderen. “Plassen, uitgesplitst naar leeftijd”, staat in het werkje waarin de vergoedingen werden doorgelicht voor de gehandicapte medemens. “Extra uitgaven als gevolg van slijtage door het dragen van corset of prothese, danwel als gevolg van incontinentie of zalfbehandeling.” Alles wordt in kaart gebracht, overal wordt aan gedacht.

En dan de ministers, ze zijn zo 'gewoon'. Ze vragen altijd om alles advies: Mijn woordenschat breidde zich uit naar de tolerantie van Nederland: SER, CEC, WRR, CBS, CPB, CBA, SVR, ZFR, ETC. Even struikelen, maar het went heel snel.

“Mevrouw op die fiets, ken dat LICHT effe aan”. Een metalen stem klinkt door de nacht: In Italie hadden ze geschoren nekken, en goud en strepen op hun uniform. Met machinegeweren op hun knie en scheurden ze hoog en zwart door de stad. Hier is dat anders. Geen mitrailleurs, maar grote luidsprekers op kleine Golfjes begeleiden de burger op zijn weg.

Mijn fietsband glijdt de tramrail in. Met een klap sta ik stil in de Leidsestraat. Voor me staat een slanke jongen. Een geheimzinnige schittering in zijn blauwe ogen. Hij gaat niet opzij, hij kijkt me aan. Dus toch, toch, het gebeurt hier soms toch! Hij doet zijn prachtige lippen open: “We weten toch dat we hier niet mogen fietsen, he, trut.”

Hij wacht tot ik afstap, en dan draait hij zich om.