Kunstbezuinigingen 2

Het is in Nederland gebruikelijk om een scheiding te maken tussen het kunstdebat en de politiek.

De overheid behoort geen opvatting te hebben over wat goede of slechte kunst is en ook de Tweede Kamer houdt zich gewoonlijk buiten de kunstinhoudelijke discussies.

Opmerkelijk is dat de afzijdigheid van de regering in het kunstdebat afneemt. Het Ministerie van Financien heeft zich in maart jl. gebogen over de subsidies die naar de Kunstensector gaan. Ze heeft daarbij een oordeel geveld over de effectiviteit van de gelden. Financien komt tot de conclusie dat Nederland te veel topgezelschappen heeft op het gebied van de podiumkunsten en vraagt zich af of het niet met wat minder kan. De Tweede Kamer krijgt een beeld aangeboden en blijkt vervolgens wel degelijk esthetische opvattingen te hebben.

Wat opvalt in de kunstdiscussies is dat het debat zich vrijwel volledig beperkt tot de professionele kunsten. De wereld van de kunsten wordt verengd tot topkunst, de kwaliteitsdiscussie, en het prijskaartje. De conclusies uit het kunstdebat zijn duidelijk. De doelstellingen van de overheid, het streven naar spreiding en participatie, zijn niet gerealiseerd. Veel geld gaat naar activiteiten die door de markt nauwelijks worden afgenomen. Kunst wordt genoten door slechts kleine delen van de maatschappij. Ook het recente onderzoek Podiumkunsten en Publiek, aangehaald door Lien Heyting in deze krant, laat zien dat de Podiumkunsten worden bezocht door de culturele elite.

Hetzelfde onderzoek vestigt echter de aandacht op een 'grijze' sector binnen de kunsten die vaak over het hoofd wordt gezien. Binnen het onderzoek heeft men voor het eerst niet alleen gekeken naar de officieel gesubsideerde sector, maar heeft men het gedrag van de Nederlanders in kaart proberen te brengen. Voor het eerst werd duidelijk dat de officieel geregistreerde kunstpraktijk, waar het kunstdebat zich toe beperkt, slechts een klein deel van de kunstpraktijk omvat. Naast de reguliere theateraccommodaties blijkt er een scala aan 'incidentele' accommodaties te bestaan. Het grootste deel van de kunstpraktijk bestaat uit multifunctionele zalen, scholen, centra voor kunstzinnige vorming, buurt- en clubhuizen, openluchtaccommodaties, enz. Deze accommodaties worden bespeeld door groepen uit de sector van de kunsteducatie, de amateurkunst en het semi-professionele circuit.

Het CBS registreert op geregelde tijden het kunstgedrag van de Nederlanders. De rapportages van het CBS tonen een volstrekt ander beeld dan het beperkte beeld van de elite-kunst. Bijna vijftig procent van de Nederlanders is zelf actief op kunstzinnig gebied.

De Nederlandse Stichting voor de Statistiek heeft enige jaren geleden geprobeerd de omvangrijke sector van de amateurs in kaart te brengen.

Als we alleen de sector van de amateurkunst bekijken zien we zo'n vijfentwintigduizend organisaties, verenigingen of stichtingen, die jaarlijks 350.000 activiteiten organiseren en zo'n 35 miljoen bezoekers trekt.

Op lokaal niveau vormt de muziekschool of het creativiteitscentrum vaak de spil van de lokale kunstpraktijk. In het gesubsidieerde deel van de kunsteducatie worden jaarlijks zo'n drieenhalf miljoen lesuren gegeven; de jaarlijkse omzet wordt geschat op driehonderdzestig miljoen gulden. Het totale culturele palet omvat harmonie- en fanfaregezelschappen, mannenkoren, vrouwenkoren, lokale symfonie-orkesten, huismuziekgezelschappen, teken- en schilderkringen, dansgezelschappen, dichterskringen, foto- en videoclubs.

Ook de activiteiten binnen het onderwijs worden vaak buiten de kunstdiscussies gehouden. Ieder kind in het Basis- en Voortgezet Onderwijs volgt kunstlessen. Het onderzoek Podiumkunsten en Publiek laat zien dat het onderwijs van twintig jaar geleden geen aanwijsbare invloed had op het kunstbezoek. Of het onderwijs verbeterd is de afgelopen twintig jaar kan betwijfeld worden. In dit opzicht kunnen de plannen voor de Basisvorming alleen maar een verbetering betekenen.

Volgens de plannen krijgt een school de keus om Beeldende Vorming, Muziek, Dans of Drama aan te bieden. Het is echter schrijnend om te zien dat deze plannen solitair ontwikkeld zijn door het ministerie van Onderwijs. WVC heeft in de afgelopen jaren weinig invloed kunnen uitoefenen op het onderwijsbeleid. Overleg is voortdurend vastgelopen op de wederzijdse territoriumgevechten tussen de beide ministeries. De relatie tussen Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen is de afgelopen jaren fundamenteel verstoord.

Opmerkelijk is dat juist de sector van de kunsteducatie en de amateurkunst, de mensen die zelf actief zijn op kunstzinnig gebied, het overige kunstbezoek bepaalt. Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft onderzoek verricht naar de samenhang tussen het zelf actief zijn en het bezoeken van kunstvoorstellingen, podiumbezoek, museumbezoek, enz.

Het verrassende resultaat is dat niet de opleiding, noch het inkomen, de woonplaats of de sexe bepalend is voor het kunstbezoek. In eerste instantie blijkt er een samenhang te zijn tussen het zelf een kunstzinnige hobby uitoefenen en het overige kunstgedrag. De sector van de kunsteducatie en de amateurkunst blijkt van doorslaggevende invloed te zijn bij de kunstspreiding en kunstparticipatie.

Geldt in het algemeen dat bezuinigen op kunst weinig oplevert en veel schade aanricht, bezuinigen op de amateurkunst en kunsteducatie heeft in meerdere opzichten negatieve effecten.

Financieel neemt de niet-professionele sector een ondergeschikte positie in op de kunstbegroting. Echter: in spreiding en afname overtreft ze de professionele sector.

Als de overheid nog steeds ernstig meent dat de kunst voor eenieder toegankelijk moet zijn is bezuinigen op deze sector contraproduktief.

De kunsteducatie-amateurkunst bereikt niet alleen iedere regio in Nederland (de horizontale spreiding) maar strekt zich ook uit van hoog tot laag (de verticale spreiding). Bezuinigen op deze sector betekent opnieuw kiezen voor elitekunst. Het betekent afzien van het betrekken van grote groepen van de bevolking bij de kunsten. Het opnieuw kiezen voor Kunst voor de intimi.