Kunstbezuinigingen 1

In het artikel over dreigende bezuinigingen op de kunsten ('De minister moet zich schamen') van Lien Heyting in het CS van 24 mei wordt onder meer behandeld wat ambtenaren bij het ministerie van financien vinden van kunstsubsidies. En hoe deze laatste huns inziens beter aangewend kunnen worden.

Hierbij wordt met name de rol van de zogenaamde consumenten-soevereiniteit in het beslissingsproces over aanwending van de geldmiddelen nogal onderschat door de schrijfster. Zij behandelt dit aspect van het economisch denken van 'Financien' te terloops.

Naar mijn mening speelt de theorie van de consumenten-soevereiniteit een hoofdrol in de aanbevelingen van 'Financien' ('de subsidiebijbel').

En dit doet hij met een ideologisch doel. In de gangbare economische wetenschap vervult deze theorie namelijk de rol van hoeksteen ten aanzien van de optimale aanwending ('allocatie' met een duur woord) van schaarse middelen in nagenoeg elke situatie. En dit laatste is het centrale probleem in de gangbare economie-beoefening.

In het vak 'welfare economics' wordt, onder zeer abstracte vooronderstellingen, 'bewezen' hoe het vrije keuzegedrag van consumenten ('sovereignity' genoemd) leidt tot een optimale verdeling der schaarse middelen, en 'dus' tot maximale welvaart. Dit laatste omschreven als behoeftenbevrediging. Waar het mij om gaat is dat deze welvaartstheorie dient ter rechtvaardiging van een maatschappijvorm waarin weinig of geen plaats is voor een overheid, die regulerend optreedt in - zoals dat heet in de economie - het maatschappelijk voortbrengingsproces.

De schrijvers van de 'subsidiebijbel' staan een vrije-markteconomie voor, en hierin beslist de markt wat er wordt gemaakt aan kunst en cultuur.

'Als het publiek bloemkool wil, krijgt het bloemkool'.