Kunstbeleid WVC is moeilijk verenigbaar met bezuinigingen

Onder de kop 'D'Ancona wordt te vroeg aan schandpaal genageld' verdedigde Pim van Klink, voorzitter van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties, gisteren op deze pagina het kunstbeleid van minister H. d'Ancona van WVC. Van Klinks artikel was een reactie op een stuk dat ik twee weken geleden (Cultureel Supplement 24-5) schreef. Hierin leverde ik kritiek op het grillige en vaak ondoordachte kunstbeleid van de minister. Ook trachtte ik aan te tonen dat bezuinigingen op het toch al lage budget voor de kunsten weinig opleveren en veel kapot maken.

Van Klink vraagt zich af waarop mijn aanval op de minister gebaseerd was. “Concrete bezuinigingsplannen voor de kunsten zijn immers nog niet vastgesteld”, zo schrijft hij. Dit is onjuist: de door de minister in april aangekondigde, zeer concrete, bezuinigingen op de subsidies voor incidentele ('ad hoc') projecten (ondermeer amateuristische kunstbeoefening, podiumkunsten en kunstmanifestaties in het buitenland) waren de directe aanleiding tot mijn artikel.

Als er al op de kunsten bezuinigd moet worden, dan is het niet erg logisch, zo betoogde ik, om hiermee juist die kunstuitingen te treffen waarvoor in het Kunstenplan 1988-1992 een 'verruiming' van de financiele middelen werd bepleit of die kunstuitingen waarvan de Raad voor de Kunst al jaren aangeeft dat de overheidssubsidie schromelijk tekort schiet.

Inderdaad heb ik mij ridiculiserend uitgelaten over het idee van de Minister om voor de advisering over subsidies voor eenmalige projecten rijkskunstmeesters te benoemen, die in hun eentje zouden mogen aanwijzen wie wel en wie niet voor dergelijke subsidies in aanmerking komen. Maar ik was de enige niet. Dit idee vond in de Tweede Kamer geen enkele steun. Vorig jaar nam de minister de suggestie van de Raad voor de Kunst over, om de toekenning van deze subsidies over te dragen aan zelfstandige fondsen. Over dit fondsenplan heb ik mij positief uitgelaten: de adviesstructuur wordt er immers een stuk eenvoudiger door. Maar er zijn, zoals ik in mijn artikel met cijfers en citaten aantoonde, voldoende redenen om mijn hart vast te houden voor de budgettering van deze fondsen.

Pim van Klink meent dat bij het “besluitvormingsproces over kunstsubsidiering” de “kwaliteitscomponent een meer expliciete plaats” behoort te krijgen. Ik vraag me af of hij weleens een enkel advies van de Raad voor de Kunst heeft gelezen: die adviezen gaan namelijk uitsluitend over de kwaliteit van hetgeen de aanvrager van de subsidie te bieden heeft. Die kwaliteit is het belangrijkste criterium waarop een aanvraag positief of negatief beoordeeld wordt.

Natuurlijk is het goed om, wat de kunsten betreft, een 'intensieve wisselwerking met de samenleving' na te streven, daar ben ik vanzelfsprekend ook een voorstander van. Kunst heeft publiek nodig, dat heeft minister d'Ancona goed gezien. Waar ik de aandacht op vestigde is dat deze beleidsdoelstelling moeilijk te verenigen is met een korting op het toch al zeer lage budget voor de Amateuristische Kunstbeoefening - Kunstzinnige vorming, een onderdeel van de kunstbegroting dat de door de minister beoogde 'wisselwerking' bij uitstek ten goede komt.

Van Klink besluit zijn artikel met een vurig pleidooi voor het zogeheten 'afnamefonds'. Bij de instelling van een dergelijk fonds zou een deel van de subsidie die nu naar theatergezelschappen gaat, naar de schouwburgen worden overgeheveld. Over het afnamefonds schreef ik dat dit subsidiestelsel “zo ondoorzichtig en gecompliceerd was dat het vorig jaar, nog voor het tot een serieus plan was uitgewerkt door alle betrokkenen was verworpen”. Verder heb ik mij niet uitgelaten over deze subsidie-constructie en ik begrijp dan ook niet waar Van Klink precies op reageert met zijn lange lofzang op het 'afnamefonds'.

Het idee voor dit fonds is, zoals Van Klink opmerkt, afkomstig van de Vereniging van Schouwburg en Concertgebouwdirecties, maar dit neemt niet weg dat het de minister van WVC was die dit vorig jaar in een toespraak lanceerde. Het is wel begrijpelijk dat Van Klink niet blij is met de geringe weerklank, en de afwijzing waarop het afnamefonds-plan stuitte. Hij is immers directeur van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties.