Kabinet ziet af van verlaging minimumloon

DEN HAAG, 7 JUNI. Het kabinet wil het minimumloon niet verlagen, ook omdat bedrijfstakken met veel laag gekwalificeerd personeel nu al grote problemen hebben om personeel aan te trekken en te behouden. Dit staat in de reactie van het kabinet op het rapport 'Een werkend perspectief' van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).

In de reactie die gisteren naar de Tweede kamer is gestuurd, stelt het kabinet ook vast, dat de meeste aanbevelingen van de WRR om het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid terug te dringen, sporen met de maatregelen die het kabinet in het najaarsoverleg was overeengekomen met werknemers en werkgevers. Het kabinet wacht nu het advies van de Sociaal-Economische Raad hierover af, voordat het tot concrete besluitvorming overgaat.

De WRR pleitte voor grotere arbeidsparticipatie in Nederland. Daartoe werden voorstellen gedaan op het gebied van scholing en arbeidsmarkt, waarmee het kabinet in hoofdlijnen akkoord gaat. Maar het kabinet volgt de WRR niet in de aanbeveling het minimumloon vanaf 1993 voor de generatie die in dat jaar 21 wordt en voor alle volgende generaties met 30 procent te verlagen tot het niveau van het sociaal minimum van een alleenstaande.

Als belangrijkste argument noemt het kabinet dat, als je de minimumlonen verlaagt maar het sociaal minimum voor een gezin onaangetast laat, werken onaantrekkelijker wordt. Het verschil tussen loon en uitkering wordt dan te klein. Bovendien zouden de effecten voor de werkgelegenheid onzeker zijn. Het Centraal Planbureau en de Katholieke Universiteit Brabant hebben op verzoek van het kabinet schattingen gemaakt van het aantal nieuwe banen. Een verlaging van het minimumloon met 10 procent zou kunnen leiden tot een stijging van de werkgelegenheid onder alleenstaanden met 30.000 tot 140.000 personen.

Het aantal werkende vrouwen met een vaste partner zou kunnen toenemen met 20.000 tot 60.000. Het gaat echter om maximum-ramingen, waarbij de onderzoekers zelf veel vraagtekens zetten.

Het kabinet wijst erop dat nu al veel vacatures moeilijk vervulbaar zijn aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Om dat te veranderen zouden de werkgevers onaangenaam werk moeten verbeteren, zou het verschil in beloning bij werk aantrekkelijker moeten worden ten opzichte van een uitkering, moet het arbeidsmarktbeleid verbeterd worden en moet er een effectiever sanctiebeleid komen. Bovendien bestaat nu al de tendens om de laagste loonschalen te verhogen ten opzichte van het minimumloon.

Die tendens zal sterker worden als het minimumloon relatief achterblijft bij een uitkering.

Het kabinet voorziet bovendien dat alleenstaanden en partners van alleenverdieners, de alleenverdieners kunnen gaan verdringen op de arbeidsmarkt. Dat zou kunnen leiden tot meer en hogere uitkeringen.

Ook houdt het kabinet er rekening mee dat het WRR-voorstel fraude in de hand kan werken. Ten slotte is het kabinet beducht voor juridische bezwaren als je in feite twee minimumlonen zou invoeren: een voor allen die in of na 1993 21 zijn of worden, en een ander minimumloon voor allen die ouder zijn.

Een woordvoerder van de werkgeversorganisatie VNO interpreteerde het kabinetsstandpunt vanmorgen als “een gemiste kans”. De vakcentrale FNV daarentegen is blij dat het voorstel tot verlaging van het minimumloon voorlopig even van de baan is. De FNV vindt het 'onbestaanbaar' dat iemand die 38 uur per week werkt met minder dan 1500 gulden per maand genoegen zou moeten nemen. De FNV vreest dat het voorstel tot verlaging van het minimumloon allerminmst van de baan is.