In Israel wordt een Falasha nu zelfs gewoon gegroet

TEL AVIV, 7 JUNI. “Ik voel me nog niet zo Israelisch. Misschien duurt het nog een jaar of tien voordat ik dat Israelische gevoel in me heb”, zegt de 18-jarige Gideon Zakai, een vrolijk kijkende jonge Falasha die in 1984 tijdens 'operatie Mozes' uit Ethiopie naar Israel kwam.

“In het begin heb ik het heel moeilijk gehad”, vertelt hij in een cafe in de Balfourstraat in Bat-Yam, waar Ethiopische gezinnen in een groot huizenblok wonen. “De kinderen keken me met de nek aan. Koesi, nikker, riepen ze naar me. Nu doet me dat niets meer. Het komt trouwens minder voor. Maar toen vond ik het verschrikkelijk.”

Het is Gideon opgevallen dat de spectaculaire reddingsactie 'operatie Salomon' - de evacuatie door de Israelische luchtmacht van ruim 14.000 Falasha's uit Addis Abeba - tot een positieve wijziging van de Israelische houding jegens de reeds in Israel wonende Falasha's heeft geleid. Door de enorme publiciteit en de sterke zionistische onderstreping van operatie Salomon zijn de Falasha's plotseling een zichtbare en tastbare zionistische mythe geworden. “Ik word nu op straat gewoon goedendag gezegd”, merkt Gideon op. “De mensen lachen zelfs naar me. Dat gebeurde vroeger nooit. Het geeft me een veel beter gevoel”.

Gideon denkt nog wel eens terug aan de dagen dat hij als klein jongetje het vee in de velden rondom zijn dorpje in Noord-Ethiopie hoedde. Hij heeft goede herinneringen aan het vrije leven, en aan het natuurlijke eten. “Daar hadden we nooit gaatjes in onze tanden. Ik heb er nu twee van het Israelische voedsel”, zegt hij.

Ondanks alle moeilijkheden tijdens het aanpassingsproces komt het nooit in hem op naar Ethiopie terug te keren. “Iedere jood heeft het recht om in Israel te zijn”, zegt hij. “Hier ga ik in dienst. Hier wil ik trouwen, wel het liefst met een meisje uit mijn gemeenschap.”

Gideon beaamt dat de Falasha's in Bat-Yam, zoals elders, zich niet zo met de andere Israeliers vermengen. Eli Ifergon, een uit Tunis gemmigreerde 51-jarige cafehouder in Bat-Yam die het leven van de Ethiopische joden vanachter de koffiemachine nauwkeurig volgt, zegt voorzichtig: “Misschien willen wij eigenlijk geen contact met hen”.

Niet alleen in de lange winkelstraat in Bat-Yam maar ook in de krioelende menigte op het centrale busstation in Tel Aviv vallen zwarte Ethiopische soldaten op door hun huidskleur en Afrikaanse tred.

Met het geweer losjes om de schouder lopen ze alleen of met andere soldaten uit hun gemeenschap. Tijdens een paar uur observatie zag ik geen enkele Ethiopische soldaat met een Israelische soldaat van Ashkenazische of Sefardische afkomst contact maken of met hen optrekken. In de hogedrukketel van Tsahal, het Israelische leger, zijn de tijdens operatie Mozes naar Israel gekomen Falasha's wel veel dichterbij de Israelische realiteit gekomen. Maar zodra zij zich buiten dienstverband verplaatsen,vallen ze kennelijk weer op zichzelf terug.

Cultuurschok “De aanpassing aan de Israelische maatschappij is een heel moeilijk en langzaam verlopend proces”, zegt dr Shalva Weil, een antropoloog van de Jeruzalemse universiteit, die zowel in Ethiopie als in Israel het zeer hechte gemeenschapsleven van de Falasha's heeft bestudeerd.

“De cultuurschok is heel groot. Voor de Israeliers zijn ze door hun bijzondere taalgebruik en de speelse manier van liegen heel moeilijk te begrijpen. Het kostte ook mij enkele jaren voordat ik de Falasha's leerde doorgronden”, zegt zij.

“Wegens hun zwarte huidskleur stuitten de Falasha's in de Israelische samenleving ook voor het eerst in hun leven op vormen van racisme. Als ze uit ver van steden afgelegen gebieden in Ethiopie komen, moeten ze in korte tijd de sprong uit een primitieve omgeving naar de twintigste eeuw maken. Ze moeten leren hoe een kraan werkt, wat elektriciteit is, waarvoor een toilet dient en begrijpen dat er geen reden is om bang voor een lift te zijn.”

Niet bekend

Bij de opvang van de tijdens operatie Mozes overgevlogen Falasha's zijn veel fouten gemaakt. De rabbinale twijfels aan hun jood-zijn heeft hen tot in het diepst van hun ziel gekrenkt. De uiterlijk bedeesde Falasha's kookten van woede, en in 1985 hielden ze voor de Knesset een heel emotionele dmonstratie tegen de religieuze discriminatie. Dit probleem is nu min of meer opgelost, hoewel het opperrabinaat nog wel bij het sluiten van huwelijken op een overgangsceremonie tot de orthodox-joodse levenwijze staat.

Bij de eerste grote immigratiegolf uit Ethiopie is er ook niet voldoende rekening gehouden met de door het Ethiopische dorpsleven gedicteerde, zeer hechte familiebanden. De Falasha's, diep verdrietig over het door de omstandigheden gedwongen afscheid van in Ethiopie achtergebleven familieleden, werden in Israel ver van elkaar over opvangcentra verdeeld. Dat leidde tot grote psychologische en sociale problemen, die niet snel genoeg werden onderkend. De joden uit Ethiopie zijn hypergevoelig voor scheiding van familieleden, in welke graad ook. Daarom is het volgens dr. Weil ook zaak dat de Israelische autoriteiten gauw een positieve beslissing nemen om de 3.000 Falasha-mura's (tot het christendom bekeerd), die tijdens operatie Salomon in Addis Abeba werden achtergelaten, naar Israel te brengen.

Dr. Weil verwacht grote moeilijkheden en opnieuw heftige demonstraties indien de Israelische regering op dit punt tekortschiet en de door omstandigheden tot bekering gedwongen Falasha's in Ethiopie laat.

Michael Kleiner (Likud), hoofd van de immigratiecommissie van de Knesset, heeft zich echter deze week fel gekant tegen het overvliegen van de “bekeerlingen” op grond van het argument dat tienduizenden van het jodendom afgeweken Falasha's zich dan voor emigratie naar de joodse staat zullen aanmelden. Zijn stellingname steekt af tegen de veel welwillender houding van de opperrabbijnen, die het erop houden dat “zelfs een bekeerde jood altijd jood blijft”.

Volgens dr. Weil hebben de Israelische autoriteiten begrepen dat het volstrekt verkeerd was de Falasha's jarenlang in opvangcentra onder te brengen. Daardoor werd hun integratieproces sterk vertraagd. Daarom worden nu plannen gemaakt om de ruim 14.000 nieuw-gearriveerde Ethiopische joden zo snel mogelijk uit hotels en andere gemproviseerde opvangcentra over te brengen naar permanente woningen, waaronder ook caravans worden verstaan.

Scholing, werkgelegenheid, acute gezinsherenigsproblemen na zeven jaar scheiding, aantasting van de autoriteit van de kessiem (Falasha-priesters) zijn de grote vraagstukken die de nieuwe Ethiopische immigratiegolf, evenals de vorige, met zich meebrengt.

Voor Falasha's onder de achttien jaar worden de vooruitzichten op aanpassing aan de moderne Israelische maatschappij betrekkelijk goed genoemd. De ouderen worden als “de woestijn-generatie” min of meer afgeschreven als nuttige elementen in de samenleving.