Het Haagse sokkelproject van Peter Struyken; Een rooilijn voor de beeldhouwkunst

Vijftig sculpturen op speciaal ontworpen, identieke sokkels zullen in Den Haag rondom het stadhuis een beeldengalerij vormen. Peter Struycken, die het sokkel-plan bedacht wil het beeld op straat mobiel maken: “Nu is het zo kostbaar om een beeld neer te zetten dat het vanzelf tot in lengte van dagen blijft staan.”

In Den Haag staan 540 kunstwerken in de openbare ruimte. Kunstwerken op straat zijn een soort onroerend goed geworden, vastgenageld in de bodem, een permanente opstelling op pleinen en trottoirs waarmee de voorbijganger goedschiks of kwaadschiks wordt geconfronteerd.

“De percentageregelingen voor kunst in de openbare ruimte hebben geleid tot een wildgroei van vondsten en monumentale oplossingen,”

zegt Lily van Ginneken, artistiek directeur van de stichting Stroom, Haags Centrum Beeldende Kunst, die vorig jaar op initiatief van de gemeente is opgericht om een nieuw beleid voor de kunst in de openbare ruimte op te zetten. “De vraag moet dan ook worden gesteld waarom het allemaal moet blijven staan.”

'Overbodige' of 'verouderde' kunstwerken zijn nog niet weggehaald. Omdat ze er voorlopig nog staan, werkt de Stichting Stroom aan een Beeldenboek, een kunsthistorische gids waarin al die beelden worden beschreven. Intussen maakt de Stichting zelf ook plannen voor nieuwe beelden. Om daar meer samenhang in te brengen heeft Stroom HCBK in plaats van de verbrokkelde percentageregeling, een fonds gevormd waaruit de kunst op straat wordt gefinancierd. Er zijn twee projecten in gang gezet: een beeldengalerij in het centrum van de stad en 'De Campagne' een reeks van twaalf beelden in de wijken eromheen.

Beeldend kunstenaar Peter Struycken heeft als coordinator een voorstel ontwikkeld voor het zogenoemde 'Kern Gezond'-gebied rondom het nieuwe stadhuis dat als voetgangerszone wordt ingericht. In een twee elkaar kruisende straten wil hij over een afstand van zo'n vierhonderd meter een reeks van bijna vijftig beelden, deels door Haagse kunstenaars uit te voeren, op sokkels laten plaatsen. In 1993 moet zowel de herinrichting als deze beeldengalerij klaar zijn.

Tegelijkertijd is een begin gemaakt met 'De Campagne'. Een jaar lang zullen twaalf kunstenaars, van wie acht Nederlanders, iedere maand een nieuw kunstwerk plaatsen in een andere wijk van Den Haag. Deze week moeten zij laten weten welke wijk ze hebben gekozen. De deelnemers zijn Erik Colpaert en Philip van Isacker (Gent), Andrea Blum en John Knight (New York), Raimund Kummer en Norbert Radermacher (Berlijn), Herman Pitz (Dusseldorf), Harmen de Hoop (Amsterdam), Toine Horvers (Tilburg), Arno van der Mark (Doorwerth), Raoul Teulings (Arnhem), Harrie van de Vliet (Middelburg) en de Rotterdammers Joep van Lieshout, Q.S. Serafijn en Egied Simons.

“We hebben gezocht naar mensen die in hun werk een duidelijke verwantschap met de omgeving zoeken en op de sociale en fysieke omstandigheden reageren,” zegt Lily van Ginneken. “Zij moeten zich willen voegen naar wat ze op straat vinden. We willen laten zien hoe een nieuwe generatie kunstenaars zijn kunst op de openbare ruimte afstemt. Veel meer dan de 'galerij' in het centrum moet De Campagne een actueel statement worden.”

Echo Met de sokkels wil Peter Struycken niet terug naar het traditionele ruiterstandbeeld, integendeel, de sokkels in Den Haag moeten er juist voor zorgen dat de beelden makkelijk te verplaatsen zijn. “Nu is het zo kostbaar om een beeld neer te zetten, dat het vanzelf tot in lengte van dagen blijft staan,” verklaart hij pragmatisch. “Een kunstwerk kan verouderd raken. Dan moet je het kunnen wegleggen om het jaren later weer te voorschijn te kunnen halen, wanneer het betekenis heeft gekregen als echo van een tijdperk.”

Struycken en Stroom spreken dan ook straks met de deelnemende kunstenaars af dat na vijf jaar zal worden bekeken of het beeld nog voldoet of beter plaats kan maken voor een ander. Overigens probeert Stroom al voordat de beelden worden geplaatst, sluitende afspraken te maken met de gemeentelijke instanties over een belangrijke kostenpost: het onderhoud. En er zijn nog meer eisen: terwille van de visuele continuteit moeten de kunstenaars zich aan minimum en maximum afmetingen houden. Zo mag het geheel, inclusief sokkel, de drie meter niet te boven gaan. “Zoals de rooilijn nu eenmaal een dwingend gegeven is voor de architectuur, zo heeft ook de beeldhouwkunst regulerende aspecten nodig.”

De beelden moeten allemaal worden geplaatst op identieke sokkels die steeds op 25 meter van elkaar staan, in een kruisvorm. De ene poot loopt van Weebers blauwe Pullman-hotel tot aan het nieuwe Tweede Kamer-gebouw, het andere van de Grote Marktstraat tot aan het nieuwe stadhuis.

Voor het sokkel-ontwerp is keramist Geert Lap benaderd. “Ik kende zijn vazen,” zegt Struycken, “met strakke, sobere vormen die functioneel zijn maar tegelijk op zichzelf kunnen staan. Deze man, dacht ik, moet een sokkel kunnen ontwerpen die ook zonder sculptuur een eigen waarde behoudt als sculptuur op straat.” Vorige maand zijn op straat diverse prototypes op ware grootte gepresenteerd. Zodra er sokkels gereed zijn kunnen er opdrachten aan kunstenaars worden verstrekt.

Lap heeft een formidabele oplossing gevonden: een ovale kern van beton, bedekt met een laag gepolijst terrazzo. De kern hoeft niet in de grond te worden gegraven, maar rust op een paal die in de grond wordt gepulst. Doordat die relatief klein is zijn er minder problemen met de rioleringen en leidingen in de grond. Het kunstwerk wordt bevestigd aan een stalen hoes die met behulp van een hijskraan over de kern heen wordt geschoven; iedere kunstenaar krijgt een hoes thuis waaraan hij kan solderen, boren of schroeven. “Als er geen beeld op staat, fungeert de sokkel van terrazzo als een zelfstandig architectonisch element in het stadsbeeld,” zegt Struycken. Op het terrazzo wordt met een kwast een onzichtbare laag gelatine aangebracht als bescherming tegen graffiti; de gelatine laat zich met de verf met warm water afspoelen.

WILLEKEUR

Peter Struycken keert zich vooral tegen de willekeur waarmee straten en pleinen worden volgeplempt met kunstwerken. Van de goedbedoelde percentageregelingen blijkt een overwoekerende werking uit te gaan.

“Niet elke open plek is geschikt voor een kunstwerk. Den Haag zit al vol met verdwaalde beelden.” Vandaar de beslissing de sokkels steeds op 25 meter van elkaar te plaatsen. “Op een afstand van 25 meter zie je niet meer het individuele kunstwerk, maar een silhouet. Met een rij, een profiel, een serie kun je al die individuele expressies verbinden tot een groter geheel.”

In een interview in het architectuurtijdschrift Archis eind vorig jaar vatte Struycken zijn pleidooi als volgt samen: “Het enige dat ik betoog is dat de juiste plek voor het goede beeld ontbreekt. Die moet nou juist worden gecreeerd.” Het is dan ook van groot belang, vindt hij, dat stedebouwkundigen van meet af aan betrokken zijn bij de plannen voor kunst in het openbaar. Dat is in het Kern Gezond-gebied het geval, waar Stroom nauw samenwerkt met stedebouwkundige Edwin Sandhagens. “Zij zijn het, die voor de kunst de voorwaarden scheppen.

Zonder stedebouwkundige en architectonische onderbouwing wordt een beeld liefdeloos.''

Gevraagd naar een geslaagd voorbeeld noemt hij Plein 1913 in Den Haag: “Daar vloeien de bebouwing, de grote architectonische vorm en sculpturen van het monument samen. En kijk naar de leeuwen voor de oude Opera in Parijs: het zijn op zichzelf triviale beelden, maar je zou ze in het straatbeeld niet willen missen. De sculpturen van Hildo Krop zijn geen topstukken voor een museum, maar wel als verbinding van bebouwing met het straatbeeld. Met andere woorden: aan de openbare weg zijn de criteria voor een geslaagd kunstwerk heel anders dan in een museum.

“De kunstwerken op straat zijn in de eerste plaats een stedelijke collectie,” zegt Struycken. “Daaraan stel je niet de eis van museale kwaliteit. Je hoeft niet het nieuwste van het nieuwste op straat te zien, want dat is niet de plek voor een discussie over de jongste trends en ontwikkelingen. Wel kun je de beeldhouwkunst levendig presenteren door verplaatsing en herplaatsing. Tijdelijke opberging lijkt me daarom heel goed. In die zin lijkt kunst in de buitenruimte wel op een museum: door een andere rangschikking kan iets weer heel pregnant worden.”

In het Kunst & Museumjournaal keerde criticus Philip Peters zich tegen dergelijke dwang van bovenaf: hij sprak over het 'patronaat uit de tijd van het ruiterstandbeeld'. Struycken daarentegen acht de kans van slagen juist groter “wanneer iemand de verantwoording neemt en zegt: 'Mij lijkt op dit moment dat het zo moet'. Voor de kunstenaars betekent dit geen bedreiging, maar juist een uitbreiding van hun mogelijkheden.”

Sokkels, proeftijden, voorgeschreven afmetingen: is dit de nieuwe Nieuwe Strengheid op straat? “Men reageert verbaasd, maar ook positief,” zegt directeur Lily van Ginneken minzaam. “Deze opzet is nogal uitgesproken. Zonder compromis.”