Gorbatsjov helpen?

Gorbatsjov vraag het rijke Westen zijn perestrojka lees: hemzelf - te redden a raison van op z'n minst honderd miljard dollar. Als het Westen puur zakelijke overwegingen zou laten gelden, zou het eerst talloze vragen stellen, maar uit het feit dat het Westen bereid is er met Gorbatsjov over te gaan praten, kan al opgemaakt worden dat bij voorbaat ook andere dan puur zakelijke motieven een rol zullen spelen. Immers, normaliter spreekt een bank - en als zodanig wordt het Westen gevraagd op te treden - niet over kredieten met een volstrekt failliete onderneming.

Niettemin zullen de rijke landen Gorbatsjov- maar ook zichzelf - een paar zakelijke vragen moeten stellen. Bij voorbeeld: Welke garanties zijn er dat het geld niet in een bodemloos vat verdwijnt, maar op termijn rendement oplevert? Mag het geld zonder toezicht uitgegeven worden en, zo neen, verdraagt de Russische trots - of: verdragen de generaals of de KGB of de partij - zo'n toezicht? Kan de Sovjet-economie zulke bedragen inderdaad verwerken? Heeft zij er, met haar primitieve wegenstelse, verouderde spoorwegen en achterlijke telefoonnet (om van andere communicatietechnieken niet te spreken), er de infrastructuur voor? Zijn er, na zeventig jaar communisme, genoeg mensen die uberhaupt weten hoe de markt werkt? Met wie krijgen de krediteuren straks te maken: met Moskou of met negen (of meer) afzonderlijke republieken? Zullen die voldoende legitimiteit hebben om hun bevolkingen de ontberingen waarmee de overgang naar een nieuwe economie gepaard zal gaan, te doen slikken? (De Pools regering heeft die legitimiteit nog steeds wel, evenals de Westeuropese regeringen die ten tijde van het Marshallplan hadden.) Dit soort vragen kan ad libitum vermenigvuldigd worden, en als we op bevredigende antwoorden wachten, zal de Sovjet-Unie intussen nog verder in het moeras of in de chaos verzonken zijn. De werkelijke vraag ligt dan ook elders, maar wat die werkelijke vraag is - ook daarover heerst geen overeenstemming. Zo schrijft Hans Oversloot, docent politieke wetenschapn te Leiden, in Trouw (1 juni): “De kwestie is ook niet of 100 miljard dollar economisch een zinvolle investering is; de vraag is veel ingewikkelder: van welke beslissing - nu krediet geven of juist krediet weigeren - hebben we straks economisch, maar ook politiek het meeste last?” De werkelijke vraag is dus in feite een politieke vraag, die alle andere vragen, zo niet irrelevant, dan toch ondergeschikt maakt (hoewel ook hier natuurlijk een grens ligt: hoeeel kan het Westen zich, in absolute zin, veroorloven?). Die politieke vraag kan ook geconcretiseerd worden. Samuel Brittan doet dit in de Financial Times van 3 juni: “De werkelijke vraag is of het Westen een belang heeft bij het voortbestaan van de Sovjet-Unie in haar tegenwoordige vorm.” En hij geeft daar indirect al het antwoord op: “De USSR is het laatste van de ouderwetse, op overheersing gebaseerde imperia, waarvan de werkelijke aard verborgen wordt, gedeeltelijk door de geografische samenhang” () met andere woorden: anders dan andere imperia heeft de Sovjet-Unie geen overzeese kolonien - “en nog meer door Westers wishful thinking”. Brittan vindt dan ook dat “een voorwaarde voor hulp - een voorwaarde die veel belangrijker is dan alles wat met begrotingstekorten, privatisering of prijshervoring te maken heeft - moet zijn dat niet-Russische nationaliteiten niet langer met wapengeweld gedwongen worden in de unie te blijven'.' Hij vindt dit “zowel immoreel als onpolitiek”. Op dezelfde pagina van de FT neemt de Nederlander Willem H. Buiter, die aan de Amerikaanse Yale University werkt, een tegenovergesteld standpunt in. Hij acht het “niet redelijk aan te dringen op de vestiging van politieke democratie in de Sovjet-Unie als voorwaarde voor economische hulp”. Als dat als criterium zou worden gehanteerd, dan zouden vele, zo niet de meeste, landen die nu hulp krijgen, gediskwalificeerd worden, schrijft hij. Zo'n voorwaade aan de Sovjet-Unie te stellen, zou hij 'schijnheilig' vinden. Dat kan wel waar zijn, maar intussen zullen de Westerse parlementen die in laatste aanleg over de hulp zullen moeten beslissen, er moeilijk onderuit kunnen - of zelfs willen - die voorwaarde te stellen of, op z'n minst, de verwachting uit te spreken dat er een eind komt aan zulke praktijken als waarvan onlangs weer Litouwen het toneel is geweest. Die voorwaarde of verwachting komt, in laatste aanleg, neer opde vraag: wie is er eigenlijk de baas in de Sovjet-Unie, en dat is een zeer zakelijke vraag, die elke aspirant-investeerder zou stellen. Bovendien heeft de Sovjet-Unie als ondertekenaar van de Slotakte van Helsinki zich verbonden de mensenrechten (waarover volgend jaar zelfs een conferentie in Moskou gehouden zal worden!) te eerbiedigen. Er mogen dus, alleen uit dien hoofde, aan haar hogere eisen gesteld worden dan aan hulpontvangers in Azie of Afrika. Maar zou, als hulp geweigerd wordt, de vrede niet in gevar komen? Met deze boeman heeft Gorbatsjov in zijn rede te Oslo gedreigd. Het is een loos dreigement: zelfs de generaals zullen zich wel tweemaal bedenken aleer ze het op een oorlog laten aankomen. Daarvoor is de Sovjet-Unie te zwak, en de Golfoorlog heeft aangetoond dat ze ook militair ver achter is bij Amerika. Een heel andere vraag is deze: mochten de zeven grote industriele landen van het Westen, in juli in Londen bijeen, besluiten 'Gorbatsjov te helpen - en zijn aanwezigheid in Londen zal het de zeven buitengewoon moeilijk maken hem met een fooi af te schepen - in hoeverre zullen de niet in Londen vertegenwoodigde rijke landen dan door zo'n besluit gebonden zijn? Formeel helemaal niet, maar de druk op hen zal groot zijn hun steentje bij te dragen. Ze zullen er dan goed aan doen de zeven te herinneren aan de reden waarom in 1776 de Amerikaanse Revolutie begonnen is: no taxation without representation.