Gesprek met Piet Cleveringa; Afscheid met vleermuizen

Kunstverzamelaar Piet Cleveringa verhuisde onlangs van zijn dorp aan de Linge naar Den Haag. Daarmee kwam een einde aan talloze activiteiten: exposities in de Kijkschuur en Fort Asperen, toneelvoorstellingen, een beeldenroute. Het lijkt hem dat mensen meer plezier kunnen hebben van het kijken naar schilderijen dan naar voetballen.

Eerst naar Fort Asperen in Asperen, waar Piet Cleveringa de laatste hand legt aan zijn laatste tentoonstelling, over vleermuizen. De 73-jarige kunstliefhebber draagt een hoedje en begint over vleermuizen te vertellen. De vleermuis wordt in Nederland met wantrouwen bejegend maar het is een nuttig dier, bij voorbeeld omdat het schadelijke insekten uitschakelt. Het is dan ook een beschermde diersoort; een kolonie van zestig vleermuizen houdt 's winters in het fort haar winterslaap en mag daarbij door niemand worden gestoord. Maar nu is het lente. Cleveringa wandelt enigszins huppelend door de donkere gangen en struikelt niet over elektriciteitsdraden en diaschermen, en ook niet over dode vleermuizen in flessen. Hij vertelt over het geheime leven van de vampiervleermuis. De vampiervleermuis strijkt neer op een koe of een ezel, zet er zijn twee snijtandjes in en slaat aan het drinken, daarbij geholpen door een anti-stollingsmiddel in zijn speeksel en een anti-pijnmiddel voor koe of ezel. Het beestje drinkt in dit kwartier meer dan de helft van zijn eigen lichaamsgewicht naar binnen. Om te voorkomen dat hij onder deze gewichtsvermeerdering bezwijkt, begint de vampiervleermuis al tijdens het drinken te plassen. Ziedaar het belang van snel werkende nieren.

De vampiervleermuis komt alleen voor in Zuid- en Midden-Amerika. Cleveringa zegt terwijl hij zijn armen om zichzelf heen slaat en zijn hoofd naar beneden drukt: het mooie van vleermuizen is dat ze hun vlerken om zichzelf heen slaan, dat ze zich volkomen in zichzelf terugtrekken om vervolgens een tijd ondersteboven aan een plafond te gaan hangen.

Onlangs nam mr. Piet Cleveringa met een feest afscheid van Acquoy, een dorp aan de Linge waar de kunstverzamelaar eind jaren zeventig, na zijn pensionering, kwam wonen. Volgens een persbericht heeft hij zich in het dorp ontwikkeld tot een gevierd man. Cleveringa hield exposities in zijn eigen Kijkschuur en in het dichtbij gelegen Fort Asperen, liet de dorpelingen Shakespeare's Midzomernachtsdroom opvoeren, organiseerde een succesvolle beeldenroute Beelden aan de Linge en was in het algemeen goed in het verzinnen van dorpsfeesten.

Nu is hij verhuisd. Hij woont in een mooi appartement in Den Haag, dat vol hangt en staat met schilderijen en beelden van bekende kunstenaars. Het zijn er teveel om op te noemen. In elk geval behoren de werken tot de collectie van 170 kunstwerken van 96 kunstenaars die hij drie jaar geleden schonk aan de Rijksdienst Beeldende Kunst. Deze dienst aanvaardde de verzameling in dank en noemde haar 'veelzijdig maar consistent'. Sindsdien leent hij uit zijn eigen collectie.

Zittend op een merkwaardige Italiaanse stoel vertelt Cleveringa, vier dagen na de eerste ontmoeting, over de wat argwanende houding die de boeren in Acquoy jegens de kunstenaars aannamen. De spanning kwam misschien nog het treffendst aan het licht tijdens de manifestatie Beelden aan de Linge. Sommige dorpelingen zeiden voor de officiele opening dat ze de route alvast hadden gelopen en zich om de abstracte kunst hadden doodgelachen. Er was ook iemand die een eigen kunstwerk in zijn tuin zette met daarnaast een bord: 'In twintig minuten gemaakt, Johan, 7 jaar'. Maar ze waren wel trots toen de manifestatie door het televisiejournaal werd verslagen. Wat ook hielp was kunstenaars tijdens de opbouw van de tentoonstelling te koppelen aan een begeleider uit het dorp. In achting stegen vooral de kunstenaars die in hun schilderijen blijk gaven op de hoogte te zijn van hoe spieren in een koe zitten, en kunstenaars die een onbegrijpelijk beeld althans stevig in de grond wisten te zetten. “Ik vind het boeiend,”

zegt Piet Cleveringa, “om mensen op een onnadrukkelijke manier met moderne kunst in aanraking te brengen.”

Cleveringa heeft veel bestuursfuncties in de kunstwereld vervuld, vooral in het toneel en de beeldende kunst. Hij heeft kunstenaars leren kennen die zijn betrokkenheid en enthousiasme waardeerden en ook zeiden ze wel eens tegen hem: maar eigenlijk ben je van de BVD. Hoe dat verhaal in de wereld is gekomen weet Cleveringa niet. In 1957, bij de invoering van de Politiewet, werd hij chef directie politie op het ministerie van binnenlandse zaken, en werkte zo'n twintig jaar aan de oprichting van politiescholen en specialistische opleidingsinstituten, onder andere voor de recherche. Vroeger bestonden politiescholen nog niet en de meeste agenten werden na het volgen van een schriftelijke cursus de straat opgestuurd. Dat is niet zoals het hoort, zegt Cleveringa, een politieman moet weten wat er in de maatschappij leeft.

Veel zwaarmoedige motieven lijken er aan de belangstelling van Piet Cleveringa voor kunst niet ten grondslag te liggen. Hij wijst naar een schilderij van zijn moeder, gemaakt door Johan Dijkstra. Zijn moeder had een opleiding als zangeres en ook zijn vader hield van kunst. Als kind zag hij op de Groninger kermis een toneelvoorstelling, op het gymnasium en tijdens zijn studententijd in Leiden speelde en regisseerde hij wel eens stukken en toen hem later werd gevraagd lid te worden van een kunstbestuur, gaf hij aan dat verzoek gehoor.

Belangstelling voor beeldende kunst kreeg Cleveringa toen hem aan het einde van de jaren zestig gevraagd werd voorzitter te worden van de Haagse Kunstkring. Dat voorzitterschap dwong hem tentoonstellingen te bezoeken, waar hij aanvankelijk zei dat hij de schilderijen interessant vond. Later besloot hij zich in de abstracte kunst te verdiepen en ontdekte hij dat aan elk abstract schilderij iets uit de werkelijkheid ten grondslag ligt. “Mensen die in moderne kunst niets willen zien, zien er niets in,” zegt hij. “Je moet doorzetten om er iets in te ontdekken.”

Cleveringa noemt als voorbeeld de moderne dans. Het viel hem op, toen hij onlangs aanwezig was bij de voorstelling in het Amsterdamse Muziektheater die koningin Beatrix en prins Claus hadden aangeboden ter gelegenheid van hun 25-jarig huwelijksfeest, dat er lauw werd geklapt. Cleveringa dacht eerst dat dat was vanwege de deftigheid, maar nu vermoedt hij dat de bezoekers niet aan moderne dans waren gewend. Dat ze niet gewend waren de kunst zelf te ondergaan.

Piet Cleveringa zegt dat het genieten van kunst in Nederland helaas een elitaire zaak is. Het spijt hem dat hij als een deskundige wordt gezien, en door kunstacademies werd gevraagd in eindexamencommissies zitting te nemen, dat hij iemand is geworden om wiens oordeel jonge kunstenaars verlegen zitten. Cleveringa heeft het als zijn taak beschouwd mensen voor kunst te interesseren, want hij vermoedt dat in het kijken naar schilderijen meer bevrediging is te vinden dan in, bij voorbeeld, het kijken naar voetballen.

“Het is moeilijk,” zegt hij, “om mensen die niet uit zichzelf naar moderne kunst willen kijken te animeren. Hoe vaak zeggen de mensen niet dat mijn jonge dochter zoiets ook kan. Hoe vaak heb ik niet hoogwaardigheidsbekleders, tot ministers aan toe, moeten antwoorden op hun vraag wat het schilderij voorstelt. Waarom vragen ze dat toch altijd? Het is leuk om eens te horen wat een kunstenaar met zijn schilderij heeft bedoeld. Maar het is niet het belangrijkste. Het gaat er, denk ik, toch vooral om of je in een kunstwerk iets van je eigen gevoelens herkent.”