'Financieel beleid nodig voor het milieu'

DEN HAAG, 7 JUNI. Om het milieu te verbeteren, zouden brandstoffen en grondstoffen die de leefomgeving schaden, zwaarder moeten worden belast en als compensatie daarvoor zou de belasting op arbeid (loon- en inkomstenbelasting) omlaag moeten. Zo zou de totale lastendruk voor de burger gelijk blijven en zouden de economie en werkgelegenheid per saldo niet worden aangetast.

Dit is de strekking van een deze week uitgebracht rapport van een stuurgroep van vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven en van de consumenten- en milieubeweging. Zij vindt dat in het milieubeleid de financiele beleidsinstrumenten ten onrechte worden overschaduwd door regelgeving.

De stuurgroep, die vorig jaar in het leven werd geroepen door het Centrum voor energiebesparing en schone technolgie in Delft, hoopt met haar rapport een discussie op gang te brengen met alle mogelijke maatschappelijke sectoren over een werkelijk doeltreffend en duurzaam milieubeleid. Zij voelt zich daarbij in geen enkel opzicht gebonden aan de huidige politieke constellatie. “Wij benaderen de zaak van onderop en niet van bovenaf”, aldus een veel gehoorde omschrijving van de gevoerde strategie.

Ex-werknemervoorman S.J. van Eijkelenburg is voorzitter van de groep, die verder bestaat uit D. Westendorp (directeur van de Consumentenbond), A. van den Biggelaar (directeur van de stichting Natuur en Milieu), T. Potma (voormalig directeur van het Centrum voor energiebesparing) en C. Wijshoff (gewezen voorzitter van het Bedrijvencontact). Zij participeren overigens op persoonlijke titel.

F. Drabbe van het FNV heeft wegens persoonlijke omstandigheden moeten afhaken, zei de voorzitter, maar er wordt naar een opvolger gezocht.

Stuurgroep Integratieproject Milieu en Economie heten de vijf voluit. Zij willen in de komende discussiefase verschillende soorten milieumaatregelen aan de orde stellen. Daarbij vragen ze in het bijzonder aandacht voor het financiele instrument. “Te meer daar nog steeds blijkt dat binnen het raam van economische afwegingen het milieu de voor de hand liggende verliezer is.” Hierbij werd gisteren onder meer verwezen naar de uitbreidingsplannen van Schiphol.

De groep heeft al een voorschot op de discussie genomen door in haar rapport de economische gevolgen te schetsen van forse regulerende heffingen op energie en de invoering van een zogenoemd 'stofstatiegeld' op cadmium, fosfor en stikstof, die het milieu zwaar belasten.

De heffingen op energie moeten jaarlijks circa 24 miljard gulden opbrengen, wat naar verwachting een energiebesparing van 20 a 30 procent oplevert. De uitstoot van schadelijke stoffen (onder andere kooldioxide) door het verbranden van fossiel materiaal zal waarschijnlijk met eenzelfde percentage verminderen. Er wordt een structurele belastingopbrengst van jaarlijks 18 miljard voorspeld, die beschikbaar is voor verlaging van andere belastingen, de loon- en inkomstenbelasting dan wel de BTW-tarieven. “Uitgangspunt hierbij is dat zowel het bedrijfsleven als de gezinnen de betaalde energieheffing volledig gecompenseerd krijgen”, aldus het rapport.

Het accent van de toekomstige discussie - een soort brede maatschappelijke discussie over ecologie en economie - moet volgens de groep vooral liggen op de condities waaronder ingrijpende maatregelen voor verschillende sectoren van de samenleving toch aanvaardbaar zijn.

Daarbij kan worden gedacht aan gefaseerde invoering van zulke maatregelen en aan overheidscompensatie voor kapitaalverlies als gevolg van vervroegde sanering.

Verwacht wordt dat de regulerende heffingen op zowel energie als cadmium, fosfor en stikstof, ook wel 'milieuverbruiksbelasting'

genoemd, zullen leiden tot sterke marktverschuivingen ten gunste van de werkgelegenheid. “Door een verlaging van de belastingdruk op arbeid zal een stimulans uitgaan naar meer arbeidsintensieve en milieuvriendelijke activiteiten.”

Bij dit alles tekent de stuurgroep aan dat de mogelijkheden van de overheid veelal beperkt blijven tot de wensen van de bestaande politieke meerderheid, vastgelegd in onder andere partijprogramma's, regeerakkoorden en Kamerbesluiten. “De overheid zit in een keurslijf, wij niet”, zei Potma. “Wij zijn vrij om elke optie te overwegen en hebben daarom veel meer mogelijkheden om het milieubeleid vorm te geven.”