Een vleugje grootheidswaan

Als de Amsterdammers in de Gouden Eeuw geen flinke dunk van zich zelf hadden gekoesterd zouden we nu geen Paleis op de Dam hebben. Het is gebouwd als stadhuis, bedoeld voor de burgers en niet voor de vorst. In zijn revolutionaire jaren heeft Han Lammers een hardnekkige campagne gevoerd om Van Campens meesterwerk terug te geven aan de Amsterdammers.

Met een variant op Cato schreef hij toen als redacteur van De Groene aan het eind van ieder stukje, er overigens van overtuigd te zijn dat het stadhuis op de Dam stond. Roel van Duyn daarentegen vond het een antidemocraties bouwsel, strijdig met de geest van Amsterdam Kabouterstad. Als ik me niet vergis heeft hij nog met de gedachte gespeeld, het te laten afbreken om er een grote bloembak met geraniums voor in de plaats te zetten. Proost Prikkels no. 405, november 1986, bestaat uit een grote foto van de Dam waarop je ziet wat je zou zien als het Paleis was afgebroken.

Roel van Duyn heeft gelijk: de gevel van het stadhuis-paleis ziet er niet gastvrij-democraties uit; maar binnen is het anders. De Burgerzaal waar de Amsterdammers elkaar ontmoetten als het regende, heeft een Venetiaanse allure. Dat zegt iets over het beeld dat ze van zichzelf hadden. Nederland was dan ook een wereldmacht en zij woonden in de hoofdstad. Als daar toen iemand een Kabouterpartij had willen oprichten was hij naar Schokland verbannen. Roel van Duyn kwam in de gemeenteraad.

Intussen heeft het kabouterdenken zijn beste tijd gehad. Maar wat is er voor in de plaats gekomen? Echt alluredenken kun je het niet noemen. Het is de laatste tientallen jaren meer evenementendenken geworden, pr-denken, antwoord geven op de vraag: hoe maak ik als stad zo snel mogelijk de blits. Dan wil men de Olympische Spelen 'binnenhalen'; er varen opeens gondels in de grachten; je wordt door leuk beschilderde trams aan het lachen gemaakt, kortom, het evenementendenken leidt er in zijn volmaakte vorm toe dat er aan de pret geen eind komt.

In kringen van hoofdstedelijke cultuurnotabelen is nu een kentering waarneembaar; gevolg, denk ik, van de paradox die in het evenementendenken besloten ligt. Strevend naar pret tot in het oneindige komt men in een doodlopende steeg terecht. Het duidelijkste teken van het besef dat 'het zo niet langer kan' is een rapport, vorige maand verschenen, getiteld NIEUWE COALITIES IN DE KUNST, Een internationaal onderzoek naar behoud en versterking van de internationale positie van Amsterdamse kunstinstellingen. Dat rapport, 313 pagina's, is uitgebracht door de Management Consultants Leyer & Weerstra. Er hoort nog een publikatie bij: AMSTERDAM KUNSTENSTAD, Actieplan tot versterking van de positie van Amsterdam als vooraanstaand kunstcentrum in een verenigd Europa. De verantwoordelijkheid voor deze 23 pagina's wordt opgeeist door de Stuurgroep Amsterdam Kunstenstad.

Het eerste wat ik dacht toen ik beide titelpagina's had gelezen was: niet over een nacht ijs, dus. En daarna: hoe krijg ik alles wat hier ter overdenking wordt geboden in dit kolommetje. Na ongeveer de helft te hebben gelezen, ben ik tot de slotsom gekomen dat dit ook niet nodig is. Het gaat erom dat de Stuurgroep een totale mobilisatie van alle Amsterdamse instellingen, overheden, organisaties, bedrijven en wat je verder hebt wil afkondigen om te voorkomen dat de stad verpoffert en verdraaiorgelt. Onnodig te zeggen dat ik dit een ontzaglijk goed plan vind. Het grootste gevaar voor de hoofdstad is dat ze te gering, te lacherig, over zichzelf gaat denken; dat ze zich als een soort Groot Efteling gaat beschouwen. De remedie tegen die kleinheidswaan is een redelijk beredeneerde grootheidswaan, niet teveel, niet zo'n overdosis dat het verband met wat Amsterdam werkelijk is, of nog is, verloren gaat, maar juist die compensatie die de burgerij de overtuiging geeft dat de bedoelde mobilisatie nodig is en het doel bereikbaar. Er zitten nog wel sporen van het evenementendenken in deze rapporten, maar ja, als je daar al zo lang aan hebt geleden ben je er met twee rapporten niet van af. Ik beschouw het als een bemoedigend teken van beterschap; en ik wil niet onaardig zijn, 't is goed bedoeld, maar de titel van het volgende rapport zou wat minder ronkend kunnen en in niet zo'n kreupel Nederlands gesteld.