De ziel van de hamburger; Lachen om Manuel Vicent

Manuel Vicent: Kronieken van de grote stad. Vertaling en nawoord Henriette Aronds en Maarten Steenmeiier. Uitg. Coppens & Frenks, 123 blz. Prijs f 34,50.

Spanje is de laatste twintig jaren zo radicaal veranderd, dat het op veel plaatsen lijkt op een karikatuur van de westerse consumptiemaatschappij. Nergens staat de t.v. zo hard, nergens zijn de flats zo plompverloren neergezet en nergens is veel natuurschoon zo genadeloos geofferd aan het toerisme. In het zuiden voert lan Gibson, de biograaf van Lorca, actie tot behoud van een van Spanje's laatste ongerepte kustgebieden. Gibson is van oorsprong ler; hij behield de afstand die nodig is voor kritiek, maar hij heeft alle plaatselijke autoriteiten tegen.

Natuurlijk roert niet alleen Gibson zich. Ook veel Spaanse schrijvers die na het verdwijnen van hret onvrije Franco-tijdperk op alle fronten veel in te halen hadden, lijken zich te bezinnen op hun veranderde Spanje. Een grootse ideeenroman heeft dit tot nu toe niet opgeleverd, wel veel satirische of dolzinnige zedenschetsen. Azua's korte roman De geschiedenis van een idioot is hiervan een voorbeeld. Bij de keuze voor satire boven realisme speelt misschien mee dat de Spaanse schrijvers na het weinig opwindende realisme van de jaren vijftig en zestig alles doen om in elk geval uit dat slop te blijven.

Maatschappelijke verschijnselen worden in Spanje in de eerste plaats op de korrel genomen in de column, die daar net als in Nederland bloeit. Manuel Vicent (1936) is een belangrijke naam in dit verband.

Hij is schrijver, journalist en een mengvorm van die twee: columnist. Begin jaren tachtig schreef hij voor de El Pais zijn Cronicas urbanas, tot verhalen uitgegroeide columns, die in 1983 werden gebundeld. Van die verhalen is nu een Nederlandse selectie uitgekomen onder de titel Kronieken van de grote stad. Voor de levendige vertaling tekenen Henriette Aronds en Maarten Steemeijer. Deze verhalen gaan niet over de vernieling van het milieu maar over mentale vervuiling en verwarring. Ze worden gekenmerkt door een geestige ondertoon met veel ironische uithalen en drijven op een vernuftig gegeven dat tot in het absurde is uitgewerkt. In een paar gevallen is het gegeven op zichzelf al absurd en belanden we bijna in de sfeer van de science fiction. In 'De platonische hamburger' zoekt een professor in een hamburger naar het wezen van het bestaan en verandert na een dramatisch ongeval zelf in de ziel van deze snack of, misschien, van het bestaan. In 'Odysseussoep' eet een geleerde letterlijk de klassieken uit zijn boekenkast op.

Dat laatste verhaal en ook een enkel ander eindigt op een manier die Vestdijks stelling over het financieleprobleem in herinnering brengt. Een overbodig of flauw slot kan al het voorgaande onderuit halen. In zeker twee gevallen dreigt dit in Kronieken van de grote stad te gebeuren. Maar elders is Vicents slot juist dwingend, een bekroning van het beschrevene, zoals in het beginverhaal en het eindverhaal, beide al eens in een Nederlandse bundeling verschenen.

Lachen, veel lachen om de vele kleine en grote grappen van de auteur is tijdens het lezen gegarandeerd. De verhalen zijn steeds precies tien bladzijden lang; kennelijk de perfecte lengte voor Vicent. In dat bestek schetst hij een wonderlijk beeld van het dagelijks leven van burgers achter wie je op het eerste oog nooit iets vreemds of spannends zou vermoeden.

Een oude man die bij gebrek aan menselijke contacten een liefdesrelatie heeft met een vlieg, een andere die af en toe door zijn kinderen in het ziekenhuis wordt gedropt en prompt aan het een of ander wordt geopereerd; een echtgenoot die een schijnbestaan lijdt om de schande van zijn werkloosheid le verbloemen; een huisvader die de verkeerde woning binnenstapt wat door- hem noch iemand anders wordt opgemerkt omdat zijn bestaan identiek is aan dat van zijn buren: het zijn stuk voor stuk consequente uitwerkingen van herkenbare situaties in de moderne samenleving, in Spanje en bij ons.

De vrouwen, allemaal uit de ge goede middenklasse, doen bij Vicent niet veel meer dan breien en parfum kopen, al dan niet met een dode vos om hun hals. Voor een van hen verandert het warenhuis in een gevangenis waar ze niet meer uit kan. Aardig, maar als typering van zeer dik hout.