De wereld onder een glazen stolp; Wolken en obsceniteiten in Portugese films

“De toon van de films is gedragen, hermetisch, de personages zijn eerder engelen dan mensen.” In Amsterdam, Rotterdam en Utrecht is vanaf vandaag en de komende weken ook in Arnhem en Den Haag een overzicht van Portugese films uit de laatste tien jaar te zien. Opvallend is dat de nieuwste films een ontwikkeling laten zien die tegengesteld is aan de postmoderne wind die in andere landen waait.

Vanaf morgen in Amsterdams Filmhuis-Rialto aandacht voor de Portugese cinema. Een selectie uit het programma is ook te zien in Kriterion, Rotterdam en 't Hoogt, Utrecht. Vanaf 14 juni ook in Filmhuis Arnhem en vanaf 21 juni in het Haags Filmhuis.

Er worden in Portugal sinds de Anjerrevolutie van 1974 jaarlijks zes tot twaalf speelfilms gemaakt, ongeveer even veel als nu in Nederland.

Net als bij ons heeft het eigen publiek nauwelijks belangstelling voor de nationale filmcultuur, maar het grote verschil is dat er bijna geen Portugese films zijn met commerciele ambities. Tot voor kort kende het land ook geen echte producenten, met uitzondering van de half in Frankrijk wonende Paulo Branco.

Het nationale filminstituut IPC (Instituto Portugues de Cinema) verschaft bescheiden subsidies aan regisseurs, die voor een laag budget hun films kunnen maken zonder zich zorgen te hoeven maken over de afzet. Slechts de enkele filmer, die al onder de regimes van Salazar en Caetano actief was, met name de nu 85-jarige aartsvader Manoel de Oliveira, kan af en toe een meer ambitieus project ter hand nemen.

Het resultaat van dit merkwaardige en unieke filmklimaat is een soort vergeestelijkte cinema, die al vele jaren met succes op internationale festivals vertoond wordt. In de buitenlandse bioscopen is de Portugese film ook tamelijk onbekend en onbemind, terwijl beleidsmakers en collega-filmers wel een vage notie hebben van zoiets als 'het Portugese model'. Het Amsterdams Filmhuis (en in zijn kielzog een aantal andere filmhuizen) presenteert deze maand onder het motto De Portugese cinema: een nieuwe generatie een dwarsdoorsnede uit de produktie, met nadruk op films van regisseurs die sinds 1986 debuteerden. Daarnaast bevat het programma de laatste drie films van De Oliveira en retrospectieven op het werk van Fernando Lopes (55) en Joao Cesar Monteiro (52), die beiden in de jaren zestig begonnen te filmen.

MEDITERRAAN

Het is niet alleen de idealistische, immateriele economische structuur van de produktie die Portugese films zo vreemd maakt. Je ziet een mediterraan landschap, dat in obsceen zonlicht zou moeten baden en barokke emoties doet verwachten, maar in werkelijkheid wisselend bewolkte gevoelens en gedempte melancholie herbergt. De toon van de films is gedragen, hermetisch, de personages zijn eerder engelen dan mensen. Net als in de muziek en de literatuur speelt de 'saudade', de genternaliseerde heimwee naar de tijd dat Portugal nog over de zeven zeeen heerste, een hoofdrol. Vooral de films van de oudere generaties zijn doortrokken van het theatrale en het verbale, de acteurs reciteren eerder dan dat ze emoties uitdrukken. Tegelijkertijd staat de verhevenheid steeds in wisselwerking met het aardse, dat vooral tot uiting komt in onverwachte obsceniteiten. Met name Monteiro heeft de ironische beschouwing van de kloof tussen hooggestemde idealen en lichamelijke beperkingen tot een stijl weten te verheffen, in laconieke films als Silvestre en Herinneringen aan het gele huis.

Zo Portugese filmers zich al interesseren voor maatschappelijke of politieke problemen, dan komt dat nooit tot uiting in directe observaties of aanklachten. In verschillende films worden de minder dan twintig jaar geleden beeindigde koloniale oorlogen in Afrika beschouwd als een pijnlijke herinnering, een verse wond. Maar wie Joao Botelho's Um adeus Portugues (1985) vergelijkt met de verwerking van de Vietnam-trauma's in een willekeurige Amerikaanse film, staat verbaasd dat woede of gekrenkte trots volledig ontbreken. En in zijn laatste film Neen of de ijdele roem van bevelen (1990) plaatst De Oliveira de Afrikaanse oorlogen duidelijk in een historisch perspectief van zinloze veldslagen, verraad en ander noodzakelijk kwaad.

Overrompelend zijn de kwaliteiten van de Portugese cinema nooit. Discreet zeggen woorden en beelden dat de wereld een schouwtoneel is, dat zich het best in een glazen stolp vangen laat. Wie directe emoties en fysiek genot zoekt in het beschermende donker, kan deze beker beter aan zich voorbij laten gaan. Toneel, literatuur en muziek zijn eerder verwant met het werk van De Oliveira, Monteiro, Lopes en Botelho dan de canon van de wereldcinema.

Bij de nieuwste generatie is het verbale karakter aan het veranderen. Nieuwe regisseurs als Joaquim Pinto, Pedro Costa en Joao Conija maken eerder zwijgzame films met een minimale esthetiek. De toon is nog steeds gedragen en de scenario's houden zich niet bezig met wetten van logica en publieksmanipulatie. De toeschouwer dient zich evenals bij de voorgangers enigszins in te spannen om de handeling te kunnen volgen. Maar de personages, veelal kinderen of adolescenten, staan, niet gehinderd door historisch besef of een geletterde traditie, onbevangen in een vreemde wereld. Veelal tonen deze films (Costa's O Sangue, Pinto's Uma pedra no bolso en Onde bate o sol, Conija's Tres menos eu) de subjectieve waarnemingen van buitenstaanders, alsof de regisseurs naar hun land kijken met de ogen van buitenaardse bezoekers. Hun cinema begint bij een nieuw nulpunt en is in dat opzicht het tegendeel van de door Europa en Amerika waaiende postmoderne wind van hun buitenlandse generatiegenoten.

Steriel Als ik nu bij mezelf naga wat de Portugese cinema, en dit programma in het bijzonder, voor reactie oproept, dan is het vooral steriel respect. Het is zonder meer een eigenzinnige, compromisloze filmcultuur, die niet met enige andere te vergelijken valt. De bewierookte grootmeester De Oliveira hoort inderdaad tot de oude wijze mannen van de wereldcinema, maar hij heeft me nooit kunnen raken zoals vergelijkbare grootheden als Bresson, Dreyer of Bunuel dat deden.

Monteiro is een anarchistische eenling, die minstens twee bewonderenswaardige staaltjes subversieve cinema heeft afgeleverd.

Zijn generatiegenoot Lopes verraste me met zijn tweede film Uma abelha na chuva (Een bij in de regen) uit 1968, een bij die periode passend curiosum dat technieken als freeze-frame, staccato-montage en asynchroon geluid origineel toepast. Inmiddels is Lopes een televisiebons geworden, die af en toe nog een wezenloze film afscheidt, zoals het door de jongste generatie verafschuwde Matar saudades (1987). Van Botelho bevalt me vooral de prachtige eigentijdse Dickens-verfilming in zwart-wit Tempos dificeis (1988).

Van de jongste generatie heb ik nog te weinig gezien om er al een definitief oordeel over te kunnen vellen, maar op het eerste gezicht lijken Pinto, Costa en Canijo meer een geliefd object voor redacteuren van filmbladen op zoek naar een nieuwe golf dan een onontkoombaar fenomeen. Hun vormkeuzes doen nogal willekeurig aan en omdat ze in hun alledaagse onderwerpen de ironie van de ouderen missen, wordt het gebrek aan humor in de Portugese cinema soms ineens moeilijk verteerbaar. Het interessante aan de films uit Portugal is vooral dat ze tot stand hebben kunnen komen in dat merkwaardige, gesoleerde vacuum. Dat is een klein wonder, met de nadruk op klein.

CHAZAL (ploegleider: Vincent Lavenu)