De sombere zartog; Een onbekend verhaal van Jules Verne

Het werk van Jules Verne wordt regelmatig herdrukt en menigeen kent zijn wonderbaarlijke reizen. Het verhaal waaruit overduidelijk Verne's visie op de wereld blijkt, kent echter vrijwel niemand. Het is een sombere waarheid, die van Verne. “Verne's grootheid als schrijver blijkt vooral hieruit, dat dit verhaal zeer ontroerend is, terwijl het zowel in kleine als grote trekken niet aannemelijk kan worden genoemd.”

Jules Verne (1828-1905) de schrijver van toekomstverhalen die niet alleen de jeugd, maar ook heel wat volwassenen vermaakt hebben, en zelfs nu de door Verne bedachte wonderen van de toekomst al lang banaal zijn of obsoleet, nog altijd veel worden gelezen, Verne zou deze onverwoestbare populariteit wel nooit verworven hebben, als hij een pessimist was geweest. In zijn verhalen komen brave mensen en slechtaards voor. De goeden winnen altijd op het eind. De miraculeuze uitvindingen vallen ook in goede en kwalijke te verdelen. De misdadige gaan te gronde, de weldadige maken het mensdom steeds gelukkiger, geleerder. Over de morele toekomst van de mens heeft Verne zich wijselijk zelden uitgelaten: ook in zijn tijd werd de politiek al bedreven met behulp van het afzichtelijkste bedrog en het afgrijselijkste terrorisme.

Dat de hulpbronnen van de aarde wel eens niet onuitputtelijk zouden kunnen blijken, daar heeft hij nooit de nadruk op gelegd. Heeft de vraag of de beschaving van West-Europa (Frankrijk om precies te zijn) ooit ten onder zou kunnen gaan zijn fantasie wel eens bezig gehouden?

Ja, maar bijna niemand weet dit. Zijn 'wonderbaarlijke reizen' worden regelmatig herdrukt.

Niet de vergeten verhalenbundel bundel Hier et Demain (Gisteren en morgen). Het laatste verhaal van deze reeks vind ik de verbazingwekkendste tekst die aan Verne's pen ontsproot. Tijdens zijn leven is deze geschiedenis, L'Eternel Adam (De eeuwige Adam) niet gepubliceerd. Of de bladen waarin Verne gewoonlijk publiceerde dit verhaal niet wilden plaatsen, weet ik niet. Het is verleidelijk te veronderstellen dat Verne het met opzet achtergehouden heeft met de gedachte: Na mijn dood zal dit gevonden worden en zal de wereld aan de weet komen wat ik werkelijk heb geloofd.

L'Eternel Adam speelt 20.100 jaar na 1900. De geschiedenis verplaatst ons naar een toekomst die toch in technisch opzicht ten achter staat bij Verne's heden, te weten een van zijn laatste levensjaren, waarin hij haar beschreef. Laat ons dus zeggen tussen 1900 en 1905.

De plaats waar deze gefantaseerde toekomst gestalte heeft aangenomen, wordt nauwkeurig aangegeven. Het is een 'nieuw' continent, Mahart Iten Schu genoemd, waarvan de daar werkzame geleerden de ouderdom op 20.000 jaar begroten.

De verdeling van het aardoppervlak in land en zee is heel anders dan in Verne's tijd (en de onze). Er bestaat op aarde alleen maar dit ene continent dat zich uitstrekt van 4 O.L. tot 62 W.L. en tussen 54 N.B.

en 55 Z.B., met andere woorden: ter plekke waar zich tot dusverre de Atlantische Oceaan bevindt. De rest van het aardoppervlak is met water bedekt.

Staatkundig is het vasteland een enkel wereldrijk, ontstaan na 8000 jaar oorlog en bloed vergieten, een strijd eerst van allen tegen allen, dan van familie tegen familie, van stam tegen stam, van volk tegen volk. Ten slotte heeft een van de vier mogendheden die er na al deze conflicten overgebleven waren, de andere drie voorgoed verslagen en opgeslokt. Een periode van door niets gestoorde wereldvrede brak aan.

Dit alles komen wij langzamerhand te weten. Het verhaal begint op een feestdag: de 195ste verjaardag van het reuzenrijk.

Een kleine tweehonderd jaar vrede heeft voor rasvermenging en het uitsterven van particularistische machtsbegeerten zorggedragen. Maar helaas! Wie zou het hebben kunnen denken? Oude sentimenten dreigen te ontwaken. Woorden als atavisme en nationalisme worden steeds vaker vernomen. Het kolossale rijk kraakt in zijn voegen...

Zoals blijkt uit de 8000-jarige geschiedenis die min of meer nauwkeurig bekend is, hebben de mensen op dit continent zich ontwikkeld van uiterst primitief tot hoogbeschaafd.

Het hoogste stadium van de beschaving is pas vijfhonderd jaar geleden begonnen, toen de drukpers werd uitgevonden.

STOOMMACHINES

De toestanden in Mahart Iten Schu zijn dus te vergelijken met die in Europa omstreeks het jaar 1900. Maar niet helemaal. De bewoners blijken ruim vijftig jaar achter te zijn bij het West-Europa waar Verne hun geschiedenis te boek stelde. Zo kennen ze wel stoommachines, maar geen auto's. Wel de telegraaf, maar niet de telefoon en het elektrische licht. Hun astronomen houden het ervoor dat ons planetenstelsel zeven planeten rijk is, feit waarop Verne de aandacht vestigt in een voetnoot: ze waren onbekend met het bestaan van Neptunus.

Zoals de lezers van een kwaliteitskrant natuurlijk allemaal weten, is Neptunus ontdekt in 1846. We moeten dus concluderen - dit is heel belangrijk - dat de beschaving van dit 20.100 jaar in de toekomst gesitueerde wereldrijk de onze niet overtrof en niet verder was gevorderd dan ons peil van 1840 ongeveer.

Toch worden de wetenschappen er met redelijk succes beoefend en aan de resultaten van de geologie moeten we bijzondere aandacht schenken. Men meent dat de aarde 400.000 jaar oud is. Dit werd ook in Amerika en Europa aan het einde van de negentiende eeuw vrij algemeen gedacht.

Met een ouderdom van honderden miljoenen jaren hield in 1900 niemand rekening. De ouderdom van Mahart Iten Schu is, denkt men, ruim 20.000 jaar. Het continent is van de oceaanbodem opgerezen, want geheel bedekt met marine leem. Haast alle erop voorkomende planten en dieren zijn ontstaan uit waterplanten en zeedieren die zich aangepast hebben aan een leven op het droge. Maar voor enkele gewassen en diersoorten valt er aan een aquatische afkomst niet te denken en zij stellen de geleerden dus voor raadsels.

SCHEDELS

Een nog groter raadsel is de afkomst van de mens.

Immers, wanneer men in de zand- en kleilagen graaft, vindt men allerlei menselijke restanten: grote schedels tot de laag die 7000 jaar oud is, daaronder schedels die kleiner zijn, maar daaronder weer grotere. Toch zijn deze schedels lang zo groot niet als de schedels in de tot 17.000 jaar oudere laag. Op nog grotere diepte worden er zelfs brokken van machines, zuilen, restanten van gebouwen en beeldhouwwerken van 40.000 jaar oud aangetroffen. Deze vondsten hebben bij de geleerden het onprettige vermoeden gewekt dat hun beschaving, hoe schitterend ook, niet de hoogste is die er ooit op aarde heeft bestaan. Er is dus geen sprake van een gestage ontwikkeling van laag naar hoog, van beter naar best. Verre, zeer verre voorouders hadden het verder gebracht dan de huidige bewoners van dit Atlantische continent.

In het wonderlijke land dat ik hier korter, maar, hoop ik, niet moeizamer beschreven heb dan Jules Verne het deed, heet een geleerde die zich in het bezit van de doctorstitel mag verheugen een zartog.

Als het verhaal L'Eternel Adam begint, maakt zo'n zartog - Sofr-A-Sr is zijn naam - peinzend een wandeling over het terrein waar zijn laboratorium staat. Aan zijn overpeinzingen heb ik de hier boven samengevatte geografische en historische bijzonderheden ontleend.

Het laboratorium zal uitgebreid worden en naast het bestaande gebouw heeft men al een diep gat gegraven. Daarin ligt een voorwerp dat de aandacht van de zartog trekt. Hij waagt zich in de diepte en tovert een metalen koker te voorschijn. Het metaal is korrelig, en wit van kleur. Later blijkt dat het aluminium is, een element dat de geleerden van Mahart Iten Schu nog niet kenden, of nog niet hadden gesoleerd.

(Hierin waren de Europeanen al in 1827 geslaagd).

Over de afkomst van de mens maakte het gewone volk zich geen zorgen.

“Het ene mysterie verklarend met het andere, nam het aan dat de mens door een buitenaardse macht geschapen was. Deze had op zekere dag het paar Hedom en Hiva op de aarde gezet en van die twee stamden alle latere mensen af.”

Hedom en Hiva... ons gaat een licht op, want deze namen komen ons vagelijk bekend voor.

Maar de zartog, die rekening hield met de vondsten van de geologen kwam tot andere, minder idyllische overwegingen: “Toegeven dat de mens, veertigduizend jaar geleden misschien, een beschavingspeil bereikt zou hebben gelijk aan of zelfs hoger dan het onze en dat zijn wetenschap en verworvenheden verdwenen zijn zonder veel sporen na te laten, zodat zijn afstammelingen weer bij het begin moesten beginnen?... Maar dat zou het ontkennen van de toekomst zijn, staande houden dat onze inspanningen tevergeefs zijn en iedere menselijke vooruitgang even hachelijk en onbestendig is als een schuimbel op de golven van de zee!”

De koker, oeroud blijkbaar, door en door verroest, verkruimelt tussen de vingers van de geleerde. Wat komt eruit? Een stapel papier, met nooit geziene tekens beschreven in een onbekende taal.

De zartog liet zich natuurlijk niet ontmoedigen. Jaren en jaren studeerde hij op het vreemde handschrift en eindelijk kon hij het ontcijferen.

Het was een soort autobiografisch logboek, in het jaar 2... begonnen en in het Frans geschreven door een bewoner van de Mexicaanse stad Rosario aan de kust van de Stille Oceaan.

De schrijver was een zeer rijk man geweest, eigenaar van een zilvermijn, bewoner van een landgoed vlak aan de kust. De kust bestond daar uit een steile rotswand, ruim honderd meter hoog, grens van een plateau dat landinwaarts naar boven helde tot een top van meer dan 1500 meter boven zeeniveau.

Deze man was voorts in het bezit van een aantal technische voorzieningen zoals generatoren die hem elektrisch licht verschaften, en een auto met een motor van 35 pk.

Deze gemakken, zo wil Verne ons suggereren, zijn kenmerkend voor het jaar tweeduizend zoveel, maar uit de eerbied waarmee hij erover schrijft, blijkt toch onmiskenbaar dat hij de pen in 1900 voerde.

Schrijvers die over de toekomst fantaseren, blijven zelfs als ze hun heden maar gewoon met een aantal factoren vermenigvuldigen, over het algemeen verre bij de werkelijkheid achter.

Dit geldt zelfs voor Jules Verne, die toch als een van de beste voorspellers van de toekomstige techniek geldt. In dezelfde bundel waarin deze novelle L'Eternel Adam staat, komt een verhaal voor dat in de negenentwintigste eeuw speelt, in het jaar 2889 om precies te zijn.

Vliegtuigen verplaatsen zich dan met de duizelingwekkende snelheid van zeshonderd kilometer per uur!

We kunnen er dus op vertrouwen dat de prachtauto (35 pk) in het jaar tweeduizend zoveel, hoewel bestuurd door een chauffeur die voor geen kleintje vervaard was, niet erg veel sneller reed dan de beste auto's van omstreeks 1900.

DE ZEE! DE ZEE!

Op een avond dat de memorialist vredig met zijn 25-jarige zoon Jean en z'n twintigjarige pleegdochter Helene van het leven zit te genieten en over geleerde onderwerpen van gedachten wisselt met vijf gasten, waaronder twee professoren van naam, begint de bodem te trillen en de villa schudt op haar grondvesten.

Men snelt naar buiten. “De zee! De zee!” roepen de tuinman en z'n vrouw.

Het plateau waarop de villa staat, is plotseling honderd meter gedaald en deze daling neemt nog lang geen einde. Het hele gezelschap springt in de bijzonder krachtige auto, de onverschrokken chauffeur trapt het gaspedaal in tot op de vloer, maar de schuimrand van de zee blijft hen bergopwaarts volgen. Eindelijk, als ze bijna op het hoogste punt zijn aangekomen, rijst de zee niet hoger. Ze stappen uit en gaan te voet verder naar de top. Wat zien zij? Niets! Niets dan water. Alles, alles, zo ver de blik reikt, is door de zee overstroomd. Van het gebergte is alleen een eilandje van een kilometer lang en vijfhonderd meter breed overgebleven. Hier blijven zij acht dagen, zonder eten, zonder drinken. Dan worden zij gered door een toevallig langsvarend schip. Op dit schip, blijkbaar nogal ruim voorzien van leeftocht en drinkwater, varen zij niet minder dan acht maanden rond, vergeefs zoekend naar een haven. De radio had hun veel moeite kunnen besparen, maar daar had in het jaar tweeduizend zoveel nog niemand van gehoord, blijkbaar.

Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Australie, Azie en Europa, alle continenten zijn verzwolgen door de woeste baren. De kapitein die geregeld lengte en breedte vaststelt, mag op zekere dag constateren dat hij over de Eiffeltoren heen vaart.

Maar dan, als de laatste scheepsbeschuiten al streng gerantsoeneerd moeten worden, komt er eindelijk land in zicht. Het is een zwart, onbegroeid, modderig rotsplateau midden in de Atlantische Oceaan, een stuk zeebodem blijkbaar kort geleden opgerezen uit de golven. Men gaat aan land. Kuilen die nog vol water staan, zijn rijk aan vissen, krabben, kreeften en schelpdieren. Niet meer door de hongerdood bedreigd, richt men zich hier in, zo goed en zo kwaad als het gaat.

Het klimaat blijkt dragelijk. Langdurige regenbuien verzoeten de meren en meertjes, spoelen het zout uit de voormalige zeebodem. Men heeft nog een zak graan aan boord en zaait dit uit, met gunstig gevolg.

Er zitten grote hiaten in het manuscript, maar de geschiedenis van deze opnieuw begonnen menselijke populatie blijft toch goed te volgen.

“O”, roept de kroniekschrijver op een bepaald ogenblik uit, “zich voor ogen houdend dat de aarde klopte van ontelbare levens, dat miljoenen mensen en miljarden dieren over haar heen liepen, of de atmosfeer doorkliefden, en dat alles in een klap de dood heeft gevonden, dat al die levens te zamen zijn gedoofd als een vlammetje in de adem van de wind. Overal naar gelijken zoeken, maar vergeefs!

Langzamerhand de zekerheid krijgen dat er geen levend wezen meer in je omgeving is en je beetje bij beetje bewust worden van het feit dat je doodalleen bent in een genadeloos heelal!''

Toch hebben enkele vogelsoorten de universele ramp overleefd en ze voeren zaden met zich mee die eveneens ontkiemen. De in de zoute meren opgesloten zeedieren sterven gedeeltelijk en voor een ander deel passen zij zich aan een leven in zoet water aan.

NAAKT

De mensen degenereren langzaam maar zeker. De voorraden die nog in het schip voorhanden waren, raken op, gereedschappen verslijten. Ook hun kleren verslijten, op het laatst lopen zij naakt. Ze planten zich wel voort, maar verdierlijken steeds meer. Hun uit de vorige wereld meegebracht kennis gaat langzamerhand verloren. De jongere generaties hebben er geen belangstelling voor. Het klimaat is mild en een zware strijd met de elementen hoeft niet te worden gevoerd.

Aan het slot van het manuscript heeft de schrijver de leeftijd van achtenzestig jaar bereikt. De matrozen van het schip zijn al haast volledig verwilderd. De oudste oorspronkelijk geredden sterven de een na de ander.

Wie had gedacht dat Verne zo somber kon zijn? Z'n filosofie zonder masker zou ons kunnen doen denken dat hij nog vernomen had over Nietzsche's 'eeuwige terugkomst van hetzelfde', maar dit is niet noodzakelijk, omdat Nietzsche lang de eerste niet is geweest die meende dat de geschiedenis van het heelal uit eindeloze herhalingen bestond. Bekend is wel dat deze gedachte de Duitse filosoof in een diepe neerslachtigheid stortte en het is merkwaardig dat Verne, die deze filosofie in verhaalvorm voordraagt, daarmee eens en vooral zijn waarheid heeft te boek gesteld: alles is al geweest, alle inspanning is vergeefs.

“Door dit van over het graf tot hem gekomen verhaal, zag de zartog het verschrikkelijke drama dat zich eeuwig in het universum ontrolde, en zijn hart was vol medelijden. Bloedend door de onnoemelijke kwalen waaraan dat wat voor hem geleefd had, had geleden, gebogen onder het gewicht van die ijdele pogingen opgestapeld in de eindeloze tijd, kwam de zartog Sofr-A langzaam en smartelijk tot de overtuiging dat de dingen eeuwig opnieuw begonnen.”

Verne's grootheid als schrijver blijkt vooral hieruit, dat dit verhaal zeer ontroerend is, terwijl het zowel in kleine als grote trekken niet aannemelijk kan worden genoemd.

Onwaarschijnlijk is het immers dat het schip waarop de geredden acht maanden over de wereldzeeen ronddwalen, nooit ook maar een enkel ander schip tegenkomt. Toen de oude continenten verdronken, moeten er toch duizenden schepen aan dit lot zijn ontsnapt?

In het vreemde 'nieuwe' continent waar het reuzenkeizerrijk is gevestigd, heeft de gymnasiaal gevormde lezer van dit eliteblad natuurlijk het legendarische verzonken Atlantis herkend, waarover Plato en andere oude geleerden al geschreven hebben. Daarvan zijn die 40.000 jaar oude, alleroudste resten van gebouwen, beeldhouwwerken en zelfs machines natuurlijk afkomstig. Blijkbaar is het weer opgerezen na twintigduizend jaar.

Wat de bodem van de Atlantische Oceaan betreft, is onze kennis sinds Jules Verne sterk toegenomen. Aan een eenmaal verzonken Atlantis gelooft niemand meer, aan een eventuele wederoprijzing van dat continent dus evenmin.

De theorie van Wegener (1915), nu in grote trekken door de meeste deskundigen aanvaard, kon Verne nog niet kennen en de 'platentektoniek' die leert dat de bewegingen van de aardkorst, dat wil zeggen gedeelten of schollen daarvan eerder tangentiaal dan verticaal zijn gericht, ook niet. Verne is waarschijnlijk nog een aanhanger geweest van Elie de Beaumont, die in 1830 de ketengebergten beschouwde als rimpels in de aardkorst die waren ontstaan door het als gevolg van voortdurende afkoeling ineenschrompelen van de planeet. Ook deze gedachte wordt niet meer aangehangen, evenmin als de catastrofentheorie van Cuvier (1769-1832). Cuvier meende dat de geologische tijdperken steeds beeindigd waren door een plotselinge catastrofe, die land had veranderd in zee en omgekeerd. Ook in Verne's tijd betwijfelde men of het op die manier was gegaan en werd al aangenomen dat ingressies en regressies van de zee geleidelijk plaatsgrepen. Maar Verne zal dit niet spectaculair genoeg gevonden hebben.

We moeten er bovendien rekening mee houden dat aan het begin van onze eeuw de ouderdom van de aardbol hoogstens op een miljoen jaren werd geschat. Niemands gedachten gingen uit naar vijf miljard jaar en niemand beweerde dat de eerste mensachtige wezens al drie miljoen jaar geleden geprobeerd hadden zich op hun achterpoten te verheffen.

De moderne lezer kan dus Verne's verhaal onmogelijk als een waarschijnlijke veronderstelling opvatten.

Waardoor komt het dan dat deze moderne lezer in plaats van in lachen uit te barsten, even verslagen achterblijft als de ontcijferaar van dat noodlottige manuscript? Is het omdat ook in onze tijd alleen het eenvoudige volk aan Hidom en Hiva gelooft, waarin we gemakkelijk Adam en Eva herkennen? Of is het omdat in het door Verne beschreven wereldrijk pastoors, dominees en andere ayatollah's met geen woord vermeld worden en dus de mensheid ook niet troosten?

Neen. Ik geloof eerder dat het is doordat wij, optimistisch, denken dat de ondergang van de mensheid nog voorkomen kan worden door de atoomenergie af te schaffen, de luchtverontreiniging te beteugelen, het oerwoud niet te verdelgen, de kippen- en varkensmesterij te beknotten, en zo voort en zo voort, terwijl, hoe verouderd de wetenschap waarop Verne zich baseerde ook moge zijn, het denkbeeld dat de wereld ten onder zou kunnen gaan als gevolg van een kosmische ramp die wij niet voorkomen of pareren kunnen (botsing met een grote meteoriet bijvoorbeeld) daardoor niet aan kracht verliest. En daar komt nog dit bij: hoeveel beter dan Verne en diens tijdgenoten weten wij niet dat er nergens anders dan op aarde mensen wonen, niet op de maan, niet op Venus of Mars. Op buitenterrestrische hulp of bondgenoten hoeven wij niet te rekenen.

En het raadsel van onze uitzonderlijkheid, is niet minder groot dan toen. Nooit heeft iemand in enige aardlaag iets aangetroffen dat een restant zou kunnen zijn van een hogere beschaving dan de onze. Zelfs de eeuwige terugkeer van hetzelfde is een illusie.

We moeten ons met ons allen helemaal op ons eigen houtje zien te redden en worden ons beter dan ooit bewust van het feit dat wij 'doodalleen zijn in een genadeloos heelal'.