De oud-ijzerhandelaar zingt zijn lied; Essays over filosofie van Richard Rorty

Richard Rorty: Objectivity, Relativism, and Truth. Philosophical Papers Volume I. Uitg. Cambridge University Press, 226 blz. Prijs (f) 36,15 - : Essays on Heidegger and others. Philosophical Papers Volume 2. Uitg. Cambridge University Press, 202 blz. Prijs (f) 36,15 - : Solidariteit of objectiviteit. Drie filosofische essays. Inl. en vert. H.J. Pott, L. v.d. Sluijs, R. de Wilde. Uitg. Boom, 116 blz., Prijs (f) 26,50

In het afgelopen decennium is het transatlantisch filosofisch verkeer flink toegenomen. Geschriften van Franse filosofen als Foucault, Derrida en Lyotard en van Duitse filosofen als Heidegger en Habermas zijn in de Verenigde Staten in vertaling verschenen met het gevolg dat de moderne continentale filosofie daar soms zelfs aanleiding is geworden voor absurde vormen van cult en nabootsing, waarbij de Amerikanen de Franse stijl van schrijven geheel hebben overgenomen.

Van deze invloed is in het werk van de Amerikaanse filosoof Richard Rorty geen spoor te vinden. Zijn boeken en essays zijn het bewijs dat het transatlantisch verkeer nog geen eenrichtingsverkeer is geworden.

Rorty laat zien, dat verschillende nummers uit het circus van de postmoderne Europese filosofie al eerder waren bedacht door Amerikanen.

De belangrijkste essays van Rorty uit de jaren tachtig zijn onlangs gebundeld en in twee delen bij Cambridge University Press verschenen.

Van deze essays zijn er bovendien drie door uitgeverij Boom in een Nederlandse vertaling uitgebracht.

Het werk van Rorty heeft zijn wortels in de homebred filosofie van Amerikaanse bodem bij uitstek, het pragmatisme. Rorty profileert zich in zijn essays als de belangrijkste hedendaagse erfgenaam van John Dewey (1859-1952), een der founding fathers van het pragmatisme. De meest in het oog springende bijdrage van het pragmatisme aan de filosofie is een herwaardering van het begrip 'waarheid', waarbij het Platoonse idee van de eeuwige en verheven waarheid wordt vervangen door een met de menselijke behoefte meegroeiende waarheid. Waarheid wordt zo een historisch en instrumenteel begrip en raakt haar geprivilegieerde plaats in de filosofie kwijt.

De pragmatische filosofen hebben vervolgens ontdekt dat door deze operatie ook de culturele waarde van de filosofie als zodanig is afgenomen. Het gevolg was dat ze zich met een reeks van onderwerpen zijn gaan bemoeien: van wetenschap tot politiek en van psychologie tot literatuur.

Al deze onderwerpen zijn in de essaybundels van Rorty terug te vinden. Hij schrijft over natuurwetenschap, over taalfilosofie en over liberalisme, maar ook over Freud, Dickens en Kundera. Nieuw aan Rorty in vergelijking met zijn pragmatische voorgangers is, dat hij wil breken met het isolement van de Amerikaanse filosofie. Hij gaat in discussie met zo ongeveer alle belangrijke filosofen uit de continentale en de Angelsaksische tradities.

STEEN DES AANSTOOTS

Rorty mag een filosofisch omnivoor zijn, de helderheid van zijn stijl en standpunten lijdt daar niet onder. Grootste steen des aanstoots voor Rorty is het menselijk zoeken naar dat ene metafysische principe, dat het fundament biedt voor een levensvisie. Dat eeuwig zoeken naar fundamenten vindt hij vooral in de politiek verderfelijk. Rorty signaleert dit 'fundamentalisme' in het principiele liberalisme en in de radicale kritiek op het liberalisme. Had Rorty in Nederland gewoond, dan zou hij daar onmiddellijk de christen-democratie en de sociaal-democratie aan hebben kunnen toevoegen.

De nazaten van Kant, die het liberalisme op het filosofisch verlichtingsdenken proberen te baseren, houdt Rorty voor dat het liberalisme pas tolerant wordt door een pragmatische onverschilligheid over filosofische kwesties. Radicale critici van de liberale democratie als Foucault en Lyotard houdt hij voor, dat het onzinnig is zich in filosofische posities te verschansen, die geen enkel argument meer aandragen voor een verbetering van de liberale democratie.

Filosofen moeten hun hartstochten op andere plaatsen uitleven dan in de politiek.

Behalve de filosofie zelf legt Rorty ook het traditionele beeld van de filosofische intellectueel onder de hamer. Zijn ideaal is niet de intellectueel die zoekt naar een alomvattende levensvisie, maar de speelse en ironische intellectueel. De ironische intellectueel vindt het geen probleem, dat de eigen identiteit altijd een smeltkroes van tegenstrijdigheden zal blijven. Veelzijdigheid is bij Rorty een grotere intellectuele deugd dan consequentheid en diepgravendheid. De literatuur is voor de ironische intellectueel een bijzondere ervaringsbron, doordat ze de metafysische bevlogenheid van de filosofie mist. De literatuur bestaat uit een oneindigheid aan mogelijke identiteiten, van Don Quichotte tot de Karamazovs, zonder dat ze de illusie geeft dat een daarvan de ware is. De roman heeft dit meer in zich dan de poezie, zoals Rorty in zijn essay Heidegger, Kundera, and Dickens betoogt. Heideggers verering van de poezie mondt uit in een vergoddelijking van de taal, terwijl in de romans van Dickens en Kundera de taal een laboratorium-instrument is voor experimenten met personages en gezichtspunten.

SCHROOTHOOP

De stijl en werkwijze van Rorty spreken mij wel aan. Hij kijkt met de blik van een handelaar in oud ijzer naar de traditie van de filosofie.

De heilige eerbied voor de teksten van klassieke filosofen is hem vreemd. Sommige delen van de filosofische traditie belanden op de schroothoop, terwijl andere delen worden gesloopt en tot iets nieuws worden gemonteerd.

De luchthartigheid in de omgang met de filosofische traditie heeft jammer genoeg ook tot gevolg, dat Rorty al te gemakkelijk heenstapt over zwakke plekken in zijn eigen redeneringen. Hij signaleert met een scherpe blik de problemen van een filosoof als Derrida, maar ziet ze bij zichzelf niet. Net als zijn Franse tijdgenoten wekt Rorty de indruk het einde van de filosofie te willen verkondigen, terwijl hij zich aan de andere kant binnen de filosofische traditie blijft bewegen. Dat is een moeilijke positie, die er toe leidt dat Rorty alleen nog maar in staat is telkens hetzelfde standpunt in verschillende toonaarden en tegenover verschillende opponenten te herformuleren. De essays van Rorty vormen eigenlijk een lang lied, waarbij verschillende coupletten steeds weer uitlopen op hetzelfde refrein. Dat lied wordt overigens zeer krachtig en welluidend gezongen.

De drie essays in de Nederlandse uitgave zijn goed gekozen. Ze laten de belangrijkste thema's uit het werk van Rorty van de jaren tachtig zien: wetenschap en pragmatisme, filosofie en liberale democratie, de identiteit van intellectuelen. In de bundel worden zijn standpunten duidelijk, alleen niet de breedheid van zijn polemieken. Wie kennis wil nemen van de volle rijkdom aan debatten met Franse, Duitse en Amerikaanse filosofen blijft daardoor aangewezen op de twee Amerikaanse bundels.