De mensen zien me hier niet als zoon van mijn vader; Ontmoeting met Stefan Brecht

Stefan Brecht is de zoon van Bertolt Brecht. Hij schrijft over toneel en af en toe speelt hij ook een rolletje op het toneel. “Het spijt me dat ik in het theater verzeild ben geraakt.” Vragen over zijn vader beantwoordt hij liever niet, wel blijkt hij een aanhanger van diens socialistische idealen.

“Hi, Mr. Brecht!” hoor ik de manager van het hotel opgewekt zeggen.

Daar is hij dus: de schrijver van de zin die ik nu al een kwartier lang probeer te lezen. De zin is de eerste van een boek, dat ik vlak voor onze afspraak bij een antiquariaat in 10th street gevonden heb.

Queer Theatre heet het en de zin in kwestie is van een monumentale onverstoorbaarheid. Als ik er later serieus voor ga zitten, blijkt hij als volgt te luiden: “'Queer theatre' is spotbeluste platte komedie en burleske, vol minachting (zonder mededogen) en blij (in plaats van tragisch en louter komisch of satirisch), en aldus, logischerwijs, zonder de pretentie van de makers iets anders te zijn, - niet uit morele overwegingen, maar op a-morele wijze, zonder maatstaf of regel, - maar toch met een kern van wanhoop of bedruktheid, alsof de universele komedie tragisch is, - de mensheid afschilderend als laag (ontuchtig en verdorven), duivels (kwaadaardig en liederlijk) en belachelijk (potsierlijk pretentieus, dwaas en gespeend van waardigheid en formaat), en de liefde als de opperste leugen, maar het esthetisch ideaal hoog houdend, er op uit om zich (dat wil zeggen: spelers, tekst en uitvoering) over te geven aan schoonheid; de schoonheid namelijk die onder de gegeven omstandigheden mogelijk is, de schoonheid van het lage, het duivelse en het lachwekkende, lage, duivelse, belachelijke schoonheid, op geen enkele wijze natuurlijk, maar louter gekunsteldheid, of kunst.”

Mijn ogen verdwalen telkens in de bijzinnen: weinig is immers zo spannend als het wachten op een onbekende in een lobby - en zeker als het om de lobby van het roemruchte Newyorkse Chelsea-hotel gaat. Ik brand van nieuwsgierigheid. Ieder van de talrijke menselijke bezienswaardigheden die hier over de drempel stappen, kan hem zijn.

Volgens de manager kon hij immers ieder moment terugkomen. Net als ik op het punt sta een oude man aan te spreken, weerklinkt die vrolijke groet. “Hi, Mr. Brecht!” De aangesprokene heeft een verende tred, weliswaar opmerkelijk voor zijn leeftijd - hij moet zesenzestig zijn - maar in overeenstemming met het tennisracket onder zijn arm en de sneakers aan zijn voeten. Onder zijn nylon windjack tekenen zich gekromde, smalle schouders af, en daartussen verschuilt zich een verhoudingsgewijs groot hoofd, omkranst door sliertig, ongekamd haar.

Onze kennismaking wordt bedolven onder de opgewektheid van de manager. Tot in de lift achtervolgt ons zijn stem, die zich na de klap van de deur, ogenblikkelijk tot een ander richt. Terwijl we zwijgend naar de tiende verdieping zoeven en hij zijn bezoeker af en toe schichtig vanuit zijn ooghoeken bekijkt, bedenk ik dat de in gedachten wel tien keer gerepeteerde openingszetten van ons gesprek niet op deze situatie van toepassing zijn. Ik vraag nu maar of hij vaker tennist?

Stefan Brecht, met wie ik in de lift sta, is de zoon van Bertolt. Pas op zijn vijfde, toen zijn moeder, de actrice Helene Weigel, met Brecht trouwde, kreeg hij de naam van zijn vader. Op de achterflap van zijn boek Queer Theatre schreef hij vijftig jaar later: “Ik werd geboren in Berlijn, Duitsland, in 1924, bracht sinds 1941 het grootste deel van mijn leven in de VS door, heb een doctorsgraad in de filosofie, publiceerde wat kritieken en essays, heb af en toe een rolletje vervuld in voorstellingen van Charles Ludlam en Robert Wilson”. Punt, dat is dat. Wat essays en af en toe een rolletje. En twee keer per week een partijtje tennis met zijn zoon, zoals hij me inmiddels schuchter heeft toevertrouwd.

OPSTANDIGHEID

Over de kinderen Brecht is, dank zij de biografen van 's werelds beroemdste marxistische toneelschrijver, weinig bekend. Hij heeft zelf ook weinig over ze geschreven, zelfs in brieven aan Weigel: misschien interesseerden zij hem niet. Of misschien hield hij zich aan de marxistische traditie van de-personalisering van publieke kopstukken, al was hij, zoals Eric Bentley het uitdrukt, bottomlessly bourgeois.

Ook Bentley, theatercriticus, Brecht-vertaler en lange tijd Brechts zaakwaarnemer in Amerika, verbaast zich over die discretie in zijn kroniek The Brecht Memoir, maar gevolgen verbindt hij daar niet aan.

Hij meldt alleen dat, toen de Brechts in de oorlogsjaren in ballingschap in Hollywood woonden, “de zoon en dochter al symptomen vertoonden van die niet te benoemen ziekte waaraan kinderen van beroemdheden zo vaak lijden. Tekenen van spanning, van rusteloosheid, en ja, van opstandigheid...”

Van die opstandigheid geeft hij slechts twee voorbeelden en juist omdat het er maar twee zijn, hoeven zij hier niet onvermeld te blijven. Bentley hoorde Stefans jongere zus Barbara eens, met de deuren slaand, tegen haar ouders roepen: “Krijg de klere maar met jullie gewichtigheid!” (“You can take your social significance and shove it!”). En toen Brecht, weer terug in Europa, Bentley eens verzocht geld mee te nemen voor de inmiddels volwassen en in Amerika achtergebleven Stefan, voegde hij 'nogal fel' toe: “Waarom geef ik dit? Hij brengt het waarschijnlijk toch naar de hoeren.”

Op de zolderkamer in het Chelseahotel - waar hij slechts werkt, hij woont, met zijn gezin, elders - rechtvaardigt niets de veronderstelling van vader Brecht. Van liederlijkheid geen spoor, wel van armoede. Maar dat kan bedrog zijn: volgens W.H. Auden spaarde de oude Brecht althans “kosten noch moeite om er arm uit te zien.”

Helaas waren de roem en welgesteldheid van de fabrikantenzoon niet in overeenstemming met zijn eigen nobele ideeen. Hij bracht dus wat uiterlijke retouches aan, ongeveer zoals hij in 1928 al vet in de broeken van de Dreigroschenoper-spelers liet strijken om ze er oud uit te laten zien.

Zou de zoon eenzelfde methode hanteren? Tegen de ene muur staat een bed met een vlekkerig gele sprei, tegen de andere kreunt een verzakte boekenkast onder de last van honderden wanordelijke dossiers. Ik mag wegzakken in een afgetrapte fauteuil, omringd door heuveltjes toneeltheoretische naslagwerken, en mijn gastheer neemt plaats op een keuken- annex bureaustoel. Terwijl hij daar zijn bezwete T-shirt voor een schoon verwisselt, leg ik de meegebrachte boeken over Robert Wilsons theater op het bed. Ze blijven onaangeroerd liggen, slechts goed voor een vluchtige blik op afstand van een klaarblijkelijk ongenteresseerde ontvanger.

Dat verbaast me. Over Wilson immers schreef Stefan Brecht het bijna vijfhonderd pagina's tellende boek The theatre of visions: Robert Wilson. Behalve een verslag uit de tijd dat Brecht zelf deel uitmaakte van de 'Byrds', een groep acteurs die op het religieuze af aan Wilson onderworpen was, bevat het boek ook uitvoerige analyses en tot op de minuut uitgeschreven scenebeschrijvingen van het in de jaren zeventig uiterst controversiele Einstein on the Beach.

Het boek is het eerste van een negendelige serie over het Newyorkse theater van de jaren zestig en zeventig, waaraan Brecht sinds vijftien jaar werkt. In de reeds verschenen delen prijkt achterin de genummerde lijst met de nog te behandelen onderwerpen. Op dit moment werkt hij aan nummer drie, over Richard Foreman (“Theatre as personal phenomenology of mind”). In de toekomst komen nog aan bod theatermakers als Stuart Sherman, Melvin Andringa en Merce Cunningham alsmede verschijnselen als 'black theatre' en 'theater als psycho-therapie'. Behalve Queer theatre en het boek over Wilson, nummer een en twee van de lijst, voltooide Brecht nummer vier, over Peter Schumanns Bread and Puppet Theatre, dat onlangs nog in ons land te zien was in Touch Time, het afscheidsprogramma van Mickery.

BOLKNAK

Als reactie op de vraag of Wilson hem nog interesseert, staat Brecht zuchtend op. Zwijgend haalt hij uit een doos op zijn bureau de grootste Havanna-sigaar die ik ooit gezien heb. “Nee”, gromt hij ten slotte, terwijl hij het ding, bijna net zo typerend voor zijn vader als voor Churchill, tussen zijn tanden verankert. Frederic Prokosch schreef in Voices, a memoir dat Bertolt Brecht zijn sigaar omhoog kon houden “als een dodelijk wapen, terwijl zijn blik een zekere wreedheid en minachting verried.” Zijn zoon is, met bolknak, onwillekeurig een variant van dat beeld, maar op zijn vader zal hij nooit lijken. Zijn blik is achterdochtig in plaats van wreed en zijn gezicht vertoont de grove trekken van Helene Weigel. “Nee”, zegt hij nogmaals en laat zijn blik achter een dikke rookwolk schuil gaan.

“Wilson was en is nog steeds high art. Maar hij heeft aanzien gekregen en ik houd niet van mensen met aanzien.”

De vraag is misschien wat plompverloren, maar ligt te zeer voor de hand om ingeslikt te worden. Ik waag het erop. Houdt die afkeer misschien verband met de roem van zijn vader? Zijn stem klinkt toonloos als hij antwoordt: “Die Freudiaanse benadering van u is even oninteressant als conventioneel. Waarmee ik niet beweer, dat uw veronderstelling verkeerd is. Zelf denk ik, dat ik houd van het onaanzienlijke, van het onbekende avantgarde theater, omdat dat risico's neemt en bij voorbeeld niets durft te zijn. Dat vind ik leuk.

“Ik schrijf alleen maar over theater dat me aanstaat, en waarbij ik betrokken ben geweest. Daarom wil ik mezelf ook geen criticus noemen.

Vergeleken met film is theater een volstrekt marginale kunstvorm - ik ga zelf over het algemeen ook liever naar de film - maar zo af en toe op een podium staan helpt me mijn geremdheid te overwinnen. Daarna schrijf ik erover om een bezigheid te hebben. Ik besteed er vaak achttien uur per dag aan - het is me dus ernst, maar voor het overige zijn die boeken van mij niet belangrijk.''

Brechts 'bezigheid' heeft, op de plek waar zijn bureaustoel gewoonlijk staat, niet alleen een gat in het mottige vloerkleed veroorzaakt, maar zelfs een uitholling in de houten vloer. Zijn ernst blijkt ook uit de snelheid, waarmee hij uit zijn chaotische kast het dossier van de ter sprake komende theatermaker John Jessurun licht. Verbazingwekkend genoeg bevat het dossier zelfs recensies uit deze krant. En terwijl Brecht in stilzwijgen gehuld, naar de punten van zijn schoenen staart, denk ik aan de antiquair op 10th Street die, toen ik ernaar vroeg, spotlachend de beide, samen zeventienhonderd pagina's tellende delen die hij over het Bread and Puppet Theatre schreef, omhoog hield.

“Ieder ahummetje dat artistiek leider Robert Schumann ooit geslaakt heeft, staat hierin”, had hij gezegd. En ook: “Mr. Brecht komt de tweedehandsexemplaren van zijn boeken hier zelf verkopen. Hij komt op de fiets, zijn boeken in een rugzakje. Het is een zonderlinge man.”

De al dan niet geveinsde onverschilligheid jegens zijn eigen werk gaat wel zover dat Brecht zegt zich de titels van zijn boeken - van een poeziebundel bijvoorbeeld - niet meer te herinneren, en ook niet wanneer hij ze schreef. Data zeggen hem sowieso weinig en nee, hij weet dus ook niet meer in welk jaar - 1947 - zijn ouders terugkeerden naar Europa. Ze keerden terug, “omdat ze daar hoorden” en hij ging niet mee “om onduidelijke redenen”. Hij wil trouwens niet over zijn ouders praten, deelt hij weerbarstig mee. En hij wil zelfs niet zeggen waarom niet. Later verklaart hij toch: “Er zijn maar weinig mensen die vertrouwelijk met hun vader omgaan. Ik durf te wedden, dat u dat ook niet doet”. En weer later voegt hij daaraan toe: “Ik zie geen enkele relatie tussen het feit dat ik Brechts zoon ben en mijn latere leven.”

Zijn latere leven - het is volgens hemzelf een aaneenschakeling van niet door hem gestuurde gebeurtenissen. “Dingen gebeuren, ik beslis zelf maar weinig, als ik dat al ooit gedaan heb. Het maakt me ook niets uit, dat ik geen controle heb over mijn leven. Wel spijt het me, dat ik in het theater verzeild ben geraakt. Mijn proefschrift ging over Hegel en dat had ik willen herschrijven. Het is er nooit van gekomen, gewoon omdat ik de moed niet had. Eigenlijk is het prettigste nog gedichten te schrijven, want die zijn kort. Ik had dichter moeten worden, of historicus.”

LOTTE LENYA

Bentley geeft schimmige aanwijzingen die doen vermoeden dat Stefan Brecht in onenigheid verkeert met zijn familie over de erfenis van Bertolt. Anders dan die in Der Kaukasische Kreidekreis betoogde - “erfenissen horen te gaan naar hen die ze het hardste nodig hebben”

- liet hij bij zijn dood in 1956 alles na aan Helene Weigel en zijn drie kinderen. Eens temeer strookte de praktijk niet met de theorie.

In zijn in 1985 verschenen boekje stelt Bentley, dat het relaas over de erfenis te lang is om uit de doeken te doen, dat de afwikkeling ervan trouwens nog steeds niet rond is, en dat hijzelf, toen de erfgenamen het voor het zeggen kregen, op de 'zwarte lijst' werd geplaatst.

Dochter Barbara, getrouwd met Brecht-acteur-bij-uitstek Ekkehard Schall en sinds de jaren vijftig woonachtig in Oost-Berlijn, wordt door Bentley de 'Winifred Wagner van de familie' genoemd; tot in de jaren tachtig ontkende zij bij voorbeeld het bestaan van Ruth Berlau, een van de belangrijkste van Brechts talloze minnaressen.

Van Stefan maakt alleen een voetnoot vagelijk gewag: graag had Bentley aan hemzelf gerichte brieven van Lotte Lenya, de legendarische vertolkster van Brecht- en Weil-liederen, geopenbaard, maar Lenya's erfgenamen weigerden toestemming, omdat dan 'bekend werd hoe zij over Stefan Brecht dacht'.

Had Bentley maar geen toestemming gevraagd: de tegenover me gezeten Stefan Brecht zwijgt - van nature, lijkt het, maar in dit geval ook welbewust. Ik vraag hem of hij nooit de aanvechting heeft gehad een biografie over zijn vader te schrijven. “Te veel werk”, luidt zijn antwoord. Maar bedrukt het hem dan niet, dat zijn unieke kennis over zijn eigen culturele achtergrond verloren zal gaan? Hij reageert op macroniveau: “Amerika is een Europees experiment, maar er gaan inmiddels op een radicale wijze waarden verloren in dit land. Amerika begint zo langzamerhand niet zo heel Europees meer te zijn. Over enkele tientallen jaren zijn de blanken een minderheid. Als je, zoals ik, een eerste-generatie-immigrant bent, dan voel je dat verlies heel sterk ”.

Dat bedoelde ik niet. “De mensen hier zien me niet als zoon van Bertolt Brecht”, zegt hij even zacht als tevoren maar dwingender.

“Ik zou me kunnen voorstellen, dat ik onder meer om die reden niet naar Duitsland ben teruggekeerd. Maar het is zeker niet de belangrijkste reden geweest. Duitsland is niet meer wat het ooit was.

Na de Tweede Wereldoorlog werd West-Duitsland een zielloos land, een buitenpost van Wallstreet en in de jaren vijftig en zestig was het bovendien een zwijnestal. De DDR was beter, ja, rigide misschien, maar niet zo lelijk als Frankfurt.''

Maar, hij lijkt in de socialistische ideeen van zijn vader te geloven - zijn bezoeker stelt het enigszins verbaasd vast. Hij, die naar eigen zeggen dank zij het comfort van een erfenis en royalties nog nooit voor zijn brood heeft hoeven werken en die zich de luxe kan permitteren niet eens te weten of het kerende tij in het politieke denken in de wereld wellicht tot verminderde inkomsten heeft geleid.

Hij ook die in Amerika gebleven is, waar de FBI rapporteerde, toen zijn familie vrienden in kennis stelde van de dood van zijn vader: “Cable received from red country”.

Hij reageert bedaard. “Het vrije ondernemerschap zoals dat hier in Amerika bestaat, is het lelijkst denkbare systeem. Omdat ik niet hoef te werken voor mijn geld, blijf ik er kalm onder, maar ik heb te doen met de armen hier. De politieke component van bijvoorbeeld de Lehrstucke is gedateerd - in de praktische uitwerking ervan heb ik nooit geloofd. Maar het ideaal erachter is prachtig, in die droom geloof ik. Het socialisme, zoals Marx dat formuleerde, is de opvolger en de evenknie van het christendom en van vergelijkbaar historisch belang.

“Dat er een discrepantie bestaat tussen de idee en de praktijk, vind ik geen probleem. Dat is normaal. Marx was beursspeculant en mijn vader werd door zijn vader en schoonvader onderhouden. Dat idealen misbruikt worden door machthebbers, pleit niet tegen de idealen maar tegen de macht. Het christendom is ook misbruikt, maar nog steeds vind ik de idee van een God die ervoor zorg draagt dat de mensheid voortleeft prachtig. Dat is een troostrijke gedachte.”

Maar werkt hij misschien vrijwillig achttien uur per dag, omdat hij zich schuldig voelt? “Ach, deels misschien wel. Maar ik zou me ook vervelen als ik niet werkte. Werken is in zekere zin een drug, die je helpt de tijd te doden. Ik zei daarnet wel, dat het me speet geen historicus te zijn geworden, maar ik betwijfel of een andere bezigheid wel iets belangwekkends had opgeleverd. Ik ben geen genie. En ik ben ook niet ambitieus, ik stel geen hoge eisen aan mezelf.”

Als ik Stefan Brecht na ons gesprek opbel voor een tweede afspraak, zegt hij daar bij nader inzien liever van af te zien. Waarom, vraag ik. Omdat u steeds die vraag stelt, zegt hij. Aan het eind van onze ontmoeting had hij me een foto van een door zijn dochter gemaakt schilderij laten zien. Het kader was gevuld met vleeskleurige Cupidootjes, slechts in het midden was, ondersteboven, een grijze figuur geschilderd. “Dat ben ik”, had hij gezegd. “Als Lucifer die uit het paradijs gezonden wordt.” Maar waarom dacht hij, dat hij die figuur was? “Omdat mijn dochter dat zelf gezegd heeft en kijkt u trouwens zelf maar: dat is mijn gezicht.” Niet erg aardig van zijn dochter om hem uit het paradijs te schoppen, zei ik. Hij had me strak aangekeken en gevraagd: “What else can a child do with a parent?”

Van hem houden, had ik geopperd. Daarop had hij me, vanachter zijn sigaar, voor het eerst met een van zijn vader geerfde minachting in de ogen aangekeken. “Wat een kleingeestige gedachte”, had hij gezegd.