De mens wil brullen om vrijheid; Aantekeningen van George Perros

Georges Perros: Plakboek. Vertaald door Frans de Haan. Uitg. De Arbeiderspers, 370 blz. Prijs f 59,90.

Ik ben een man-op doorreis, nooit hecht ik me aan een plaats, en als ik schrijf, schrijf ik in de kantlijn." Een notitie waarmee Georges Perros (1923-1978) zichzelf volmaakt typeert. Ik citeer uit de ongedateerde fragmenten die het leeuwedeel vormen van wat Perros schreef, de Papiers colles die in Frankrijk in drie delen werden gepubliceerd tussen 1960 en 1978 en waaruit Frans de Haan een selectie heeft vertaald die onlangs verschenen is in de Privedomeinreeks van De Arbeiderspers: notities, aforismen, gedichten, korte beschouwingen, schrijversportretten, dagboekaantekeningen.

Het is jammer dat het gangbare uitgeversstandpunt hier te lande nog steeds is dat voorwoorden taboe zijn. De Nederlandse lezer valt daardoor met de deur in een volstrekt onbekend huis, en hij zou daar met meer genoegen rondkijken als hem wat meer was verteld over de bewoner ervan. Het zou hem de ogen hebben geopend voor details die hem nu licht ontgaan, het zou passages verhelderen waar nu al te gemakkelijk overheen wordt gelezen. Er moet toch een middenweg te vinden zijn tussen de Franse hebbelijkheid om de eigenlijke tekst vooraf te laten gaan door twintig pagina's inleiding, en het Nederlandse dogma dat de lezer door geen letter voorwoord mag worden afgeschrikt.

De Haan beperkt zich nu tot een al te beknopt nawoord, waarin hij verwijst naar een artikel dat hij in 1987 over Perros publiceerde in de Brieven-special van Maatstaf. Het is jammer dat hij niet wat meer uit dat artikel in zijn nawoord heeft opgenomen. Het is een herkenbaar verschijnsel dat je gecondenseerder over een auteur kunt schrijven naarmate je meer van hem weet (hij werd geboren, hij deed dit en dat, hij leefde zus en zo, en hij ging dood, de selectie heb ik daarom en daarom zo gemaakt- wat valt er meer te vertellen?), maar de onwetende lezer komt daar niet veel verder mee. Als De Haan schrijft over "de man, de vent die ik in zijn werk, met ontroering vaak, heb ontdekt", dan is die ontroering gedurende het hele Plakboek I eigenlijk alleen maar invoelbaar voor wie ook het artikel in Maatstaf heeft gelezen. De daarin opgenomen citaten uit Une vie ordinaire, Perros' autobiografie in versvorm, en de conclusies die De Haan eraan verbindt, zouden veel meer relief hebben gegeven aan de aaneenschakeling van notities en aforismen in dit eerste deel. Of het nu een juiste veronderstelling is of niet dat Perros' hele leven bewust of onbewust beinvloed lijkt te zijn door het verlies van het tweelingbroertje dat bij de geboorte stierf, de spannningen die De Haan signaleert in het leven van de dichterschrijver waren relevante informatie geweest voor wie Plakboek gaat lezen. Spanningen die zich in essentie laten vertalen in het verlangen naar en de onmogeIijkheid van volmaakte eenzaamheid. Wat omgekeerd de spanning oplevert tussen het verlangen naar en de onmogelijkheid van werkelijke vriendschap, of werkelijke liefde. Het contact wordt gezocht en tijdens het zoeken alweer verworpen; ontmoetingen met vrienden draaien uit op een gedesillusioneerd 'We zullen elkaar wel schrijven'; van ontmoetingen met vrouwen wordt, als het al tot het bedrijven van de liefde komt, nog tijdens het vrijen de onbevredigende afloop voorzien. Ook het relaas van Perros' huwelijk had iets uitvoeriger uit de doeken mogen worden gedaan, al was het maar geweest in de vorm van de prachtige versregels uit Une vie ordinaire: "Vorig jaar zijn Tania en ik in negentiendrieenzestig getrouwd in onze eigen wijk Zij huilde de ambtenaar ook Het was een heel geslaagde dag De eerstgeboren zoon speelde onder de huwelijkstafel het tweede kind was toevertrouwd aan de zorgen van een oma en de derde Catherine zat nog lekker warm in de buik van haar moeder Het was dus tijd het boterbriefje te halen het vrijen te reguleren een mooi trouwboekje te krijgen minder dagelijkse zorgen zorgen om zes zotte stuivers." Dan zouden in Plakboek 2 bij voorbeeld de notities onder het kopje Voorjaarsdagen --over de zieke Tania, die zwanger is --of het ontroerende gedichtje over zijn zoon Frederic wat beter te plaatsen zijn geweest.

GENEGENHEID

Dit tweede Plakboek bevat daarnaast veel schrijversportretten, of korte essays die aan hun werk zijn gewijd. Hoewel Perros zijn carriere begonnen was als acteur bij de Comedie franccaise, belandde hij via de toneelkritiek achter de schrijftafel, als literatuurcriticus, medewerker van de prestigieuze Nouvelle Revue Francaise en lector voor Gallimard. Zijn essays over schrijvers en dichters, aan wie hij woorden vol genegenheid en soms onvoorwaardelijke bewondering wijdde, getuigen wellicht beter dan wat ook van wat hij ergens in zijn aantekeningen opmerkt: "Toch heb ik de anderen, en hun warmte, nodig.

Maar op afstand. Op afstand." Hij poogt 'zijn' schrijvers te doorgronden alsof ze zijn dierbaarste vrienden waren; en gelukkig zijn ze niet zelf in de buurt om het contact te bederven. De afstand tussen schrijver en lezer is voldoende om de desillusie-van het rechtstreekse lijfelijke contact te voorkomen.

Op afstand, dat was ook wat hem deed kiezen voor zijn 'vrijwillige ballingschap' in Bretagne. Hij bleef daar net als in Parijs een man in de kantlijn; in de kantlijn van de samenleving en in de kantlijn van de literatuur. Maar tegelijkertijd een man die tot in het merg de drang tot schrijven voelde --wat iets anders is dan de drang om gelezen te worden. Schrijven was bij hem een wapen in de worsteling met het leven, een poging die strijd voor zichzelf te verhelderen, de worsteling in woorden te vatten. Zijn Plakboek is daarvan doortrokken.

Er is aan Perros niets gepolijsts. Zijn notities zijn hoekig, rasperig, cru, wat hij schrijft over vrouwen is nu en dan stuitend -- en desondanks lees je maar door, gefascineerd door dit authentieke gevecht van een man met zichzelf, met het leven en de wereld. Hij had maar weinig illusies ten aanzien van de menselijke soort: "Net als de meeste dieren leven de mensen liever in een kooi dan in de wildernis.

Het is niet noodzakelijk ze te temmen. Ze willen niets liever, enkel en alleen om, eenmaal opgesloten, te kunnen brullen van wanhoop en verlangen naar de vrijheid. (-) Voor niets zijn de mensen zo bang als voor de vrijheid die hen vernietigt." Politiek liet hem koud. Waar het hem om ging is hoe de mens zijn plaats bepaalt ten opzichte van een ander mens die hem om een of andere reden dierbaar is. Een vriend. Een vrouw. Je eigen kind.

Waarbij hij cynische zelfspot niet schuwde. Want ongetwijfeld sloot hij zichzelf niet uit toen hij schreef: "Het staat vast dat de mensen zich veel moeite getroosten om ongelukkig te zijn. Maar zijn ze het ook?" Dat was lang voor het trieste einde van zijn leven, toen hij na een operatie aan keelkanker niet meer kon spreken. Zonder enige sentimentaliteit doet hij van deze gebeurtenis op ontroerende wijze verslag in het laatste gedeelte van Plakboek 3, in dagboekfragmenten die zijn opgenomen onder de titel De wonderlei. Het lijkt bijna wrange symboliek, dat een man die zoveel moeite had om met anderen te communiceren, en daaraan toch zo wanhopig hechtte, zijn spraakvermogen verloor twee jaar voordat hij in 1978 stierf.