Wrang afscheid van een fenomeen

Op 24 mei j.l. heeft de Nederlandse ontwerperswereld voorgoed afscheid genomen van de GILL Fashion & Publicity Group.

Nog maar anderhalf jaar geleden maakte GILL zijn succesvolle debuut op het gebied van vernieuwende mode. De feestelijke borrel ter gelegenheid van de opheffing nu had daarom beslist een wrange nasmaak. Wat ging vooraf aan de neergang van deze veelbelovende ontwerpersgroep? Hoe kon het zo snel slecht gaan? Staat de geschiedenis van GILL als gesoleerd fenomeen op zichzelf of is er sprake van een algemenere tendens?

Initiatiefnemers en stuwende kracht achter GILL zijn Erik Hagenaars en Robert Jahn. Met financiele hulp van Museum Fodor in Amsterdam en de gemeente Amsterdam organiseerde het tweetal in 1989 een spraakmakende modeshow voor vier nieuwe merken. Gletcher(G), Illustrious Imps(I) en Lawina(L) toonden tijdens het spektakel hun nonconformistische visie op kleding en Lola Pagola(L) presenteerde een extreme schoenencollectie. De modewereld reageerde unaniem enthousiast. De ontwerpen vielen op door bizarre vormen en alternatief gebruik van kunstvezels als terlenka en helanka. Bovendien was de Nederlandse avantgardistische mode nog nooit zo professioneel als groep naar buiten getreden. Ervan overtuigd dat hun succes deels te danken was aan hun gezamenlijke inspanning, besloten de vier deelnemers zich blijvend te verenigen: GILL Fashion Publicity Group werd een feit. De commerciele leiding kwam in handen van het duo Hagenaars en Jahn. In ruil hiervoor betaalden de ontwerpers maandelijks contributie zodat zij zich zo veel mogelijk op hun creatieve werk konden richten. GILL regelde alle zakelijke beslommeringen. Aanvankelijk liep alles voospoedig. Ieder half jaar werd in de Amsterdamse GILL-showroom een show georganiseerd, waar de ontwerpers hun nieuwe creaties konden tonen. Naast deze presentatie in Nederland, vertegenwoordigde GILL de merken op de belangrijkste internationale modebeurs -de SEHM in Parijs.

De GILL-groep viel op tussen het andere jonge talent, en het Nederlandse ontwerp raakte bekend in de internationale modebranche. Inkopers uit Tokyo, Londen en New York kochten de kleding, schoenen en assecoires uit Nederland. Gletcher, Illustrious Imps, Lawina en Lola Pagola werden verkocht tussen grote namen als Gaultier, Katharine Hamnett en Paul Smith. Aangetrokken door het succes sloten meer getalenteerde ontwerpers zich aan. Ingrid Brouwer vond met haar collectie mannenondergoed 'Brat Bane'onderkomen in de GILL-stal, evenals 'A Ce Soir' van Leontine Hagoort en Anne-Claire Petit met haar collectie shawls en andere accessoires. Het leek alsof voor het Nederlands ontwerp een gouden toekomst in het verschiet lag. Toch blijkt de werkelijkheid anders.

Naast interne problemen Lawina haakt af en de Imps-ontwerpers splitsen zich na een creatief geschil in Imps Pour Homme en Imps Tricot- kampt GILL met financieringsproblemen. Het presenteren van een kledingcollectie kost tienduizenden guldens. Minimale afnamen van tweehonderd meter stof zijn normaal. Bijzondere modellen met veel ingewikkelde details kunnen alleen in goede, dus dure ateliers worden gemaakt. Na de ontwerpfase moet er een overtuigende en breed geschakeerde monstercollectie komen waaruit boetieks kunnen kiezen. Is deze keuze eenmaal gedaan en de bestelling gemaakt, dan duurt het nog maanden voordat de kleding afgeleverd en betaald is. Er moeten dus grote investeringen worden gedaan. Anders dan in de rest van Europa, kennen Nederlandse confectiebedrijven nauwelijks een traditie van sponsoring van beginnende ontwerpers. Banken durven zich haast niet op het glibberige pad van de mode te begeven. Gletcher, de Imps, Lola Pagola en Lawina doen daarom voor hun investeringen een beroep op de overheid, met name op het Fonds voor Beeldende Kunsten. Weliswaar zijn de beurzen van het Fonds niet bedoeld als startkapitaal voor beginnende ondernemers, maar de beoordelingscommissie bestempelt het werk van de GILL-ers als vernieuwende vormgeving en keert hen een startstipendium uit. Vooral bij Gletcher gaan de zaken voor de wind. Ontwerpers Ruud van der Pijll en Hans van Kooten vinden een goed evenwicht tussen draagbaarheid en nieuwe vormen in kleding. Gletcher wordt het paradepaardje van GILL. Op grond van hun 'scheppende vermogens' keert de overheid Gletcher keer op keer nieuwe beurzen toe. Hoewel de bedragen niet toereikend zijn om een nieuwe collectie op de markt te brengen, staan zij wel borg voor een aanzienlijke banklening. Voorzichtig wordt er winst gemaakt, de prognoses zijn goed. Voor de wintercollectie van 1991-1992 is maar liefst twee ton nodig om aan de eerste vraag van de markt te kunnen voldoen. Niettemin, als Gletcher zich aan het begin van dit jaar voor de laatste keer tot het Fonds wendt voor subsidie, krijgt het nul op het request. De commotie in de GILL-lederen is groot, vooral als blijkt dat banken ineens ook terugkrabbelen. Leningen worden niet meer verstrekt wegens 'ontoereikend eigen vermogen' (lees: de weggevallen subsidie) en men excuseert zich met verwijzing naar de Golf-oorlog. Besprekingen met de ministeries van Economische Zaken en WVC lopen evenmin op iets uit. Economische Zaken verwijst Gletcher door naar WVC onder het mom dat het hier om 'kunst' gaat, en WVC kaatst de bal terug met het argument dat toch werkelijk 'commercie' in het spel is. Het resultaat van deze afschuiverij is dat Gletcher geen nieuwe collectie kan brengen en uit GILL stapt. GILL verliest daarmee zijn belangrijkste bron van inkomsten en zijn bestaansgrond. Modevormgeving ligt in het grensgebied tussen kunst en commercie. Uit het feit dat de overheid subsidies toekent aan ontwerpers zoals die verenigd in GILL, blijkt dat zij modevormgeving belangrijk vindt. Jammer genoeg stopt zij de steun op het moment dat de grens naar commercie (winstmaken) overschreden wordt, terwijl juist dan structurele bijdragen in de vorm van bankgaranties of leningen wenselijk zijn. Dit zou zeker de getalenteerden, die de komende weken weer aan de Nederlandse kunstacademies afstuderen, een beter toekomstperspectief bieden.