Vormgevings- instituut is ook taak van Econ. Zaken

DEN HAAG, 6 JUNI. Het Vormgevingsinstituut dat de ministeries van WVC en Economische Zaken willen oprichten, heeft kans van slagen. Daarvoor is een jaarlijks bedrag van zes miljoen gulden nodig, dat gelijkelijk door de beide ministeries moet worden gedragen. Dat blijkt uit een haalbaarheidsonderzoek van het bureau Coopers en Lybrand Management Consultants dat gisteren is aangeboden aan de betrokken ministers, d'Ancona van WVC en Andriessen.

Van die zes miljoen kunnen er vier aan projecten worden besteed. De overheid moet volgens de onderzoekers het instituut zelf financieren; daarnaast kan er sponsoring van het bedrijfsleven worden gezocht. Het instituut, dat in de plaats komt van de stichting Industrieel Ontwerpen, moet zich volgens de Vormgevingsnota van d'Ancona gaan inzetten voor industriele, grafische en ruimtelijke vormgeving en voor mode en toegepaste kunst. De onderzoekers zien meer in een gentegreerd instituut dan in een uitsplitsing naar discipline. Gescheiden instituten bieden weinig voordelen, terwijl een gentegreerd instituut zich op de gemeenschappelijke aspecten van de disciplines kan richten en verkokering voorkomt. Een indeling op basis van de verschillende disciplines is weliswaar herkenbaarder, maar bevestigt zeer waarschijnlijk versnippering die nu al bestaat. De onderzoekers noemen het verder van belang dat het Vormgevingsinstituut ook bouwkundig een eigen gezicht krijgt. Het zou ook een eigen tentoonstellingsruimte moeten hebben. De exploitatiekosten worden geraamd op 1,8 miljoen voor vijftien medewerkers en zeven ton voor huisvesting, documentatie-bibliotheek, databank, administratie, reiskosten, onderhoudskosten en algemene kosten. Verder zou er eenmalig een startbedrag op de begroting voor 1992 moeten komen. Een woordvoerder van het onderzoeksbureau noemde in dit verband een bedrag van een miljoen dat het ministerie van cultuur daarvoor ter beschikking zou hebben. Het ministerie van WVC heeft in totaal tien miljoen gulden voor de vormgeving over, waarvan vrijwel zeker drie voor het instituut. Over de bijdrage van Economische Zaken wordt nog onderhandeld. Andriessen staat er in elk geval positief tegenover en denkt zelfs dat vormgeving meer en meer een belangrijk concurrentie-aspect zal worden.