Sociale herkomst bepaalt nog altijd schoolsucces

De sociale klasse van de ouders bepaalt nog steeds in grote mate het schoolsucces van hun kinderen. Alle compensatieprogramma's, alle extra begeleiding en alle miljoenen guldens ten spijt. Op zesjarige leeftijd bestaat er al een verschil in geestelijke ontwikkeling van ruim anderhalf jaar tussen leerlingen uit de laagste en de hoogste milieus. Deze kloof wordt gedurende de basisschool, maar ook daarna tijdens het voortgezet onderwijs alleen maar groter.

Dat concludeert onderwijssocioloog Rolf van der Velden in een onderzoek naar sociale herkomst en schoolsucces waarop hij deze week aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde. Uniek aan zijn onderzoek is dat dezelfde leerlingen niet alleen op zesjarige leeftijd werden onderzocht, maar ook op 12- en 18-jarige leeftijd. Zij maken deel uit van het 'Groningen-cohort', een groep van ruim 700 kinderen die in 1972 naar de eerste klas van 28 a-select gekozen Groningse lagere scholen gingen. Ook hun ouders werden gedurende deze periode bij het onderzoek betrokken. Sociale herkomst blijft tijdens de hele schooltijd een belangrijke rol spelen in de prestaties van leerlingen. Doordat de intelligentie en schoolprestaties van een vaste groep scholieren op zowel zesjarige als twaalf- en achttienjarige leeftijd kon worden gemeten, was Van der Velden in staat om vast te stellen welk deel van de achterstand op welk moment ontstond. Op grond van deze gegevens constateert de onderzoeker dat de achterstand die zwakke leerlingen op 18-jarige leeftijd hebben, al voor 40% werd opgelopen in de periode voor het zesde jaar, dat 30% ontstond tijdens de lagere school en nog eens 30% op het voortgezet onderwijs.

SELECTIEPUNT

Een belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat leerlingen niet alleen voor de poort van het voortgezet onderwijs worden geselecteerd naar sociale herkomst, maar ook nog tijdens de rit.

Tot dusver werd aangenomen dat het zwaarste selectiepunt bij de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs lag. Een andere opmerkelijke uitkomst is dat niet alleen de opleiding van de ouders een belangrijke voorspeller is voor de schoolloopbaan van de kinderen, maar dat ook de sociale omgeving van het gezin - familie, vrienden, kennissen - daarop van invloed is. ''Als ouders met een opleiding op middelbaar niveau een vriendenkring hebben die bestaat uit academici, dan zie je dat terug in het schoolsucces van de kinderen'', aldus Van der Velden. Wanneer de ouders door werkloosheid of scheiding over weinig 'sociale hulpbronnen' beschikken verlaagt dit de sociale mogelijkheden van het gezin en tegelijk ook de onderwijskansen van de kinderen. De buurt waarin het gezin woont heeft, in tegenstelling tot wat altijd werd gedacht, nauwelijks gevolgen voor de schoolprestaties. BASISSCHOOL Tot nu toe heeft het onderzoek naar ongelijke kansen in het onderwijs zich vooral beperkt tot de basisschool, inclusief de keuze voor het vervolgonderwijs. Daardoor kon het idee postvatten dat sociale herkomst nauwelijks meer van invloed is op de resultaten van scholieren in het voortgezet onderwijs. Niets is echter minder waar, meent Van der Velden. De onderzoeksresultaten van het Groningen-cohort tonen aan dat de prestaties in het voortgezet onderwijs voor minstens een kwart worden bepaald door de sociale status van de leerlingen. De promovendus vergeleek en combineerde een aantal opvallende gebeurtenissen in de schoolperiode van de leerlingen: doubleren, 'afstroom' naar een lager onderwijstype, drop-out, doorstroming naar het vervolgonderwijs en vakkenpakketkeuze. Uit deze gegevens concludeert hij dat de selectie op grond van milieuachtergronden zich het sterkst voordoet op MAVO- en HAVO-niveau. Het percentage zittenblijvers en 'afstromers' is opvallend hoog onder leerlingen uit de lagere sociale milieus en bij de doorstroming naar het vervolgonderwijs doen ze het eveneens minder goed.

Met name het HAVO selecteert scherp op afkomst. 70% van de HAVO leerlingen blijft wel eens zitten, echter: hoe hoger de sociale status van de ouders, hoe minder kans dat een scholier zoiets overkomt. Dat het MAVO beduidend minder 'afstromers' heeft dan het HAVO ligt aan het feit dat de stap van HAVO naar MAVO minder ingrijpend wordt gevonden dan de overgang van MAVO naar LBO. ''Op de twee uitersten van het onderwijsveld, het LBO en het VWO wordt nog het minst geselecteerd, omdat de sociale herkomst van leerlingen op deze twee schooltypen al bij voorbaat is uitgezeefd'', zegt Van der Velden. ''Op het LBO komen vrijwel alleen kinderen uit de lagere sociale milieus terecht en het dient al min of meer als vangnet voor de zwakste leerlingen. Op het VWO zitten vooral de kinderen uit hogere sociale klassen, want zij kiezen eerder voor een opleiding boven hun niveau dan onder hun niveau. De kinderen uit lagere sociale milieus die toch op het VWO terecht komen behoren tot de allerbesten. Zij hebben inmiddels al zo'n culturele kloof moeten overbruggen dat ze het verder ook wel redden.'' De drempel van het VWO is hoog, maar een voorspoedige schoolcarriere lijkt min of meer gegarandeerd. Nog geen 10% van het rendement gaat verloren aan doublures en 'afstroom'. Wie twijfelt tussen HAVO en VWO kan beter kiezen voor VWO, aldus Van der Velden, het hoge resultaat van de opleiding en de goede perspectieven maken het jaar extra ruimschoots goed. Vakkenpakket Het studieperspectief wordt in niet onbelangrijke mate bepaald door het vakkenpakket. Niet zozeer de prestaties staan hier centraal alswel de keuzes die leerlingen maken. Sociale achtergrond blijkt niet van invloed te zijn op de keuze van het vakkenpakket, zo stelt Van der Velden met zijn onderzoek vast, maar het verschil in sekse speelt wel een belangrijke rol. ''Het gemiddelde pakket van jongens geeft recht op zestien vervolgopleidingen meer dan dat van meisjes'', concludeert hij.

Afgezien van de pakketkeuze zijn de aanzienlijke verschillen in schoolprestaties tussen jongens en meisjes de afgelopen decennia verdwenen en zelfs in sommige opzichten omgeslagen in het voordeel van meisjes. Toch worden meisjes op de basisschool volgens andere standaarden beoordeeld dan jongens. Bij jongens wordt beter gekeken naar de prestaties, bij meisjes meer naar hun sociale afkomst. ''Met name voor meisjes uit de lagere sociale milieus lijkt dit nadelige effecten te hebben'', zegt de promovendus. Het gezin en de sociale omgeving bepalen samen voor de helft de schoolprestaties van de leerlingen. Maar binnen de gezinnen vond Van der Velden nog flinke verschillen tussen de afzonderlijke kinderen. De tweede stelling bij zijn proefschrift luidt dan ook: 'Het schoolloopbaanonderzoek moet meer aandacht schenken aan de verschillen tussen kinderen binnen het gezin. Onderzoek naar de sociale hulpbronnen waarover deze kinderen beschikken (bijvoorbeeld de vrienden) is daarbij gewenst.' Dankzij de plannen voor de basisvorming is de discussie over ongelijke kansen in het onderwijs weer actueel geworden. En terecht, vindt Van der Velden. ''Voor de brede middengroep op MAVO en HAVO zou de basisvorming wel eens een effectief middel kunnen zijn om de selectie op grond van sociale status terug te dringen. Maar dan wel onder de voorwaarde dat er brede scholengemeenschappen worden gevormd en dat er wordt vastgehouden aan minimum eindtermen die binnen een vastgestelde periode moeten worden gehaald. Blijven er categorale scholen voor HAVO-VWO enerzijds en LBO anderzijds bestaan dan verandert er niets en schiet die hele basisvorming zijn doel voorbij.''