ROB STOLK; Provo stelde in ideologie eigenlijk heel weinig voor

In juni is het precies vijfentwintig jaar geleden dat de jaren zestig in Nederland tot een hoogtepunt kwamen. Het bankschandaal rond Texeira de Mattos begon te rollen, de TROS kreeg een uur TV-zendtijd per week en op 14 juni ontstond er een klein oproer in Amsterdam dat uiteindelijk leidde tot het aftreden van de hoofdcommissaris en de val van burgemeester Van Hall. Wat is er van de toenmalige hoofdpersonen geworden? Als tweede in deze serie Provo-leider Rob Stolk.

AMSTERDAM, 6 JUNI. Bijna twee decennia later zou het verleden Rob Stolk alsnog achterhalen. Op een ochtend in 1981 vloog met een enorme klap de gevel uit zijn huis aan de Quellijnstraat. “Ik werd wakker tussen de rook en de vlammen, de muur lag er compleet uit.” Zijn benedenbuurman, “een rustige jongen van vroeger, uit de Socialistische Jeugd,” had het niet kunnen laten. Buiten trof hij een besnorde man van de mijnopruimingsdienst: “Ja, zeg, dat ruik ik op een uur afstand. Toch niet goed samengesteld, die bom. Ze leren het ook nooit. Jammer van uw huis, mijnheer Stolk.” “Ik dacht toen: als dit de weg naar een betere wereld is, dan ben ik wel bekeerd.” Rob Stolk. Ooit de schrik van ordelievend Nederland. Minstens twintig keer gearresteerd, tientallen politie-invallen thuis of op andere adressen. Vandaag de dag eigenaar-directeur van een kleine, maar solide drukkerij. En nog steeds gelukkig getrouwd met Sarah, die hij op 19-jarige leeftijd op een witte fiets naar het stadhuis voerde. “Mijn oudste zus stond om de hoek te huilen vanwege de schande.” “We woonden in Zaandam. Mijn vader was magazijnbediende. Mijn moeder zie ik nog met halfbevroren handen van de markt komen, had ze geprobeerd om wat bij te verdienen. Soms werden we een maand of wat bij beter gesitueerden geplaatst, om bij te eten. Ik heb altijd geleerd om uit te kijken voor alles en iedereen die meer is dan een arbeider. Die nozems, daar zag ik als jongen van twaalf best tegenop. Die lieten zich tenminste niet kleineren en afblaffen. M'n ouders kwamen allebei uit een rood nest, maar ze vonden elkaar pas helemaal in de PSP. Ik zal nooit vergeten dat mijn moeder vertelde dat er nu een partij was opgericht, die was linkser dan de PvdA, tegen de oorlog, en toch niet communistisch, ze had tranen in de ogen, dat was zoiets moois. Zelf dacht ik voornamelijk aan de mooie dochter van de toenmalige PSP-voorman Van Veen. Om haar heb ik in de winter van 1963 zelfs nog drie dagen met een ban-de-bom bord bij Soesterberg staan blauwbekken.” “De nieuwe tijd begon toen, op een dag, een witte auto onze straat kwam binnenrijden. Er zaten allemaal meisjes in, die een heel nieuw soort soep uitdeelden. Royco-soep uit een pakje. Dat was iets ongekends. De mensen kregen zomaar soep op straat om te proeven, iets waar ze een paar jaar eerder nog voor in de rij hadden moeten staan.

Opeens werden ze als consument voor vol aangezien. Dat was het begin. Voor onze ouders was een baan heilig, dat was veiligheid. Mijn vrienden en ik begonnen veel makkelijker over werk te praten, want er waren in het begin van de jaren zestig opeens banen volop. Er kwam een pick-up in huis. Soms was er een stukje vlees. Tussen de middag kregen we een gebakken ei op het brood.” “Wat er in onze straat ook veranderde was de televisie. Er kwamen hier en daar televisietoestellen, en die beelden kwamen hard aan. Door alles wat je te zien kreeg was je opeens niet meer een kwajongen in Zaandam maar een bewoner van de hele wereld. En wat er in die wereld gebeurde was veel erger dan je ooit gedacht had. Dat kon je niet afkopen met een paar tientjes contributie voor de PvdA. Wij vonden dat we het recht hadden ons overal mee te bemoeien. Daarom lieten we ons bijvoorbeeld vanwege Vietnam elke zondagmiddag door de politie door de stad jagen.” “Ik had op de HBS al enorme ruzie met de rector gehad vanwege mijn baard - niet meer dan vier lange haren overigens - en ik was al eens opgepakt wegens het plakken van Angola-affiches van Sietse Bosgra, maar vanaf 1963 ging het echt hard. We probeerden tijdens een NATO-taptoe in het Olympisch Stadion in Amsterdam pamfletten uit te delen. Dat gold volgens de ongeschreven regels van die dagen als een ernstige ordeverstoring. De politie heeft toen enorm huisgehouden, we zijn totaal in elkaar geslagen. Ik zie nog hoe commissaris Landman Hans Tuinman, die met twee sandwichborden op de grond zat, keihard in het kruis schopte. Die rel heeft de toon gezet voor de hele jaren zestig.

Jongeren werden geschopt en geslagen om niks, motoragenten reden iedereen ondersteboven, demonstranten en voorbijgangers, provocateurs werden ingezet - we hadden er twee, Dolf en Willem - ze deden maar. Toch was provo absoluut geen gewelddadige beweging. De politie heeft, achteraf gezien, met dat geknuppel ontzettend veel mensen de gelederen van de activisten ingejaagd. Een keer, toen ze een paar van ons weer eens gearresteerd hadden, beloofden ze ons eerder vrij te laten als we ons van verdere politieke activiteiten zouden onthouden. Ik heb mooi mijn straf uitgezeten. Ik was eigenlijk best trots op wat ik had uitgespookt.” “Hoewel Roel van Duin de reputatie heeft, was Robert Jasper Grootveld de echte man achter de provo-beweging. Toen we Provo begonnen te publiceren vulden we alleen maar het verhaal in dat Grootveld met zijn magische happenings al jaren liep te prediken. Hij was heel bijzonder, alleen al door wat hij voorzag. Je moet je voorstellen dat hij in 1965 in de gevangenis werd gezet omdat hij toen al op sigarettenreclames een grote K zette. Terwijl nu bij de wet op elk pakje sigaretten moet staan dat roken slecht is voor de gezondheid. Hij was ook ontzettend gebeten op Het Lieverdje, omdat dat beeldje op het Spui betaald was door de sigarettenfabrikant Hunter. Dat was ook het doel van die happenings daar: aandacht vestigen op het feit dat dat beeldje er stond en waarom het er stond. Ik vond het fantastisch wat-ie deed. En dat ritueel is inderdaad een draaikolk geworden, dat uiteindelijk de hele stad heeft meegesleurd.” “Toch werd provo op den duur een heel vervelend clubje mensen. Een stel over het paard getilde types, die door de rest van Nederland als de schrik van de natie werden beschouwd en die weer gedekt werden door een paar links-intellectuele Nederlanders. Ze zeggen nu altijd wel: provo dit, provo dat, maar in ideologie stelde het eigenlijk heel weinig voor. Als je die paar blaadjes van ons ziet, en al die dikke boeken die uit de linkse studentenbeweging zijn voortgekomen, dat is toch geen vergelijking. Ze mochten ons ook niet. “Als wij aan de macht komen, ga jij als eerste tegen de muur,” dat heb ik wel eens van zo'n jonge CPN-er gehoord.

Naarmate het slechter in Oost-Europa ging, werd dat steeds erger. De naijver en rancune van de ideologen en marxisten uit de jaren zeventig jegens provo is gigantisch. Robert Jasper Grootveld riep alleen maar: “We moeten Vietnam met roomkloppers, televisietoestellen en ijskasten bombarderen!” Maar hij had, achteraf gezien, natuurlijk wel gelijk, in alle opzichten.”