'Laten we het maar proberen met de basisvorming'

ROTTERDAM, 6 JUNI. De basisvorming lijkt in de verste verte niet meer op de ideeen die hij begin jaren zestig formuleerde voor de middenschool. De basisvorming houdt bijvoorbeeld te veel het karakter van het huidige 'brugjaar' en laat de tweedeling tussen algemeen vormend en beroepsonderwijs intact.

Toch vindt W.C.M. van Lieshout - bestuursvoorzitter van de Katholieke Universiteit Nijmegen - dat de wet op de basisvorming nu maar moet worden ingevoerd. “We discussieren nu al zo'n dertig jaar over het onderwijs aan kinderen van twaalf tot zestien jaar. Laten we het nu maar proberen met de basisvorming”, zegt hij. “Misschien lost het inderdaad een groot deel van de problemen op - al vind ik de basisvorming zeker niet de ideale oplossing. Maar verwerping van het wetsvoorstel betekent dat er op zijn vroegst pas over acht jaar een nieuwe oplossing aan de orde is. Zo lang duurt het wel voor er een nieuwe wet is. Daar kan het onderwijs echt niet op wachten.” Van Lieshout, behalve universiteitsbestuurder ook lid van de onderwijscommissie van het CDA, was in de jaren zestig onder meer actief als directeur van het Katholiek Pedagogisch Bureau voor het Beroepsonderwijs. In een deel van het confessioneel onderwijs werden al voor de invoering van de Mammoetwet vraagtekens gezet bij de daarin vastgelegde 'verticale' indeling van het voortgezet onderwijs in algemeen onderwijs en beroepsonderwijs. Volgens Van Lieshout was het al vroeg duidelijk dat in de Mammoetwet “onvoldoende rekening werd gehouden met de individuele verschillen tussen leerlingen”. Het onderwijs hoort volgens Van Lieshout afgestemd te zijn op de ontwikkelingen in de samenleving. In zekere zin weerspiegelt de samenleving zich ook wel in het onderwijs, maar dat gebeurt volgens hem juist op een desastreuze manier: statusoverwegingen bepalen te zeer de schoolkeuze. Van Lieshout meent dat de diploma's in het voortgezet onderwijs er niet allereerst zijn om aan te geven wat de inhoud van het genoten onderwijs is, maar vooral dienen om de positie op de statusladder te bepalen. “Niet de capaciteiten en aanleg van de leerling bepalen de schoolkeuze, maar de status die het toekomstige diploma heeft. Dat is een enorme handicap.” Hij vreest dat daar voorlopig ook niet veel verandering in zal komen zolang de maatschappelijke waardering voor het ambacht - en daarmee voor het beroepsonderwijs - zo laag blijft. Van Lieshout stelt vast dat het huidige brugjaar, bedoeld als orientatie voor de leerling, niet werkt.

Dat komt doordat het erg wordt 'gestempeld' door het schooltype waarvan het deel uitmaakt. “Dat belemmert uiteraard de horizontale doorstroming zodat de leerling niet in het bij hem passende onderwijs terecht komt.”

Hij is er niet gerust op dat dit na de invoering van de basisvorming zal verbeteren. Sterker nog: hij vreest dat de basisvorming mislukt als niet wordt gezorgd voor goede 'schakelprogramma's' voor leerlingen die van de ene school naar de andere gaan. “Ik heb daarover in het wetsvoorstel niets gevonden.” Het onderwijs voor jongens en meisjes in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar functioneert volgens Van Lieshout pas optimaal als, zoals hij schreef in zijn discussienota over de middenschool, “iedereen de gelegenheid krijgt gestalte te geven aan zijn eigen capaciteiten en belangstellingsveld, zowel in het intellectuele, culturele als praktisch-technische vlak. Daarbij moet de leerling zich niet aan het onderwijs aanpassen, maar dient het onderwijs naar de leerling te worden gebracht. Niet het afbreken van leerbarrieres en moeilijkheden dient hierbij voor ogen te staan, maar wel het verhogen van de doelmatigheid van het onderwijs ten behoeve van een optimale ontplooiing van de persoonlijkheid van de leerling”. Ruim twintig jaar later geldt dat uitgangspunt nog steeds, vindt hij. “Dat betekent geen uniform onderwijs voor iedereen”, aldus Van Lieshout, die bezwaar had tegen de manier waarop oud-minister Van Kemenade in de jaren zeventig van de middenschool een uniform instituut wilde maken. “Wel is het nodig dat de kinderen een brede algemene ontwikkeling krijgen, daar vraagt de samenleving om. En dat het onderwijs uit leerlingen al het talent haalt dat ze hebben, ook dat is een maatschappelijke eis. Maar dan moet je kinderen niet al op twaalf jaar een stempel op het voorhoofd zetten dat hun verdere schoolloopbaan bepaalt. Zeker niet als dat stempel meer door het ouderlijk milieu dan door de eigen capaciteiten wordt bepaald. Ieder kind moet gelijke kansen krijgen in het onderwijs.

Dat betekent niet dat voor elk kind de uitkomsten hetzelfde zullen en kunnen zijn. Niet iedereen kan maarschalk worden.''