Landbouwschade

Western Palearctic Geese, congresbundel van het Tweede Internationaal Ganzensymposium. Gepubliceerd in Ardea. Jaarabonnement (f) 75,- (prive (f) 60,-). Giro 125347 t.n.v. Ned. Ornithologische Unie, Katwijk.

De afgelopen vijftig jaar is het aantal ganzen in Europa bijna verdubbeld tot zo'n twee miljoen vogels. Waar komen al die ganzen vandaan en hoeveel komen er nog bij? Wat betekent dat voor de boeren en welke invloed heeft de jacht? Aan deze vragen is een speciaal ganzennummer gewijd van Ardea, het tweejaarlijks verschijnend blad van de Nederlandse Ornithologische Unie. Het gaat om bijdragen aan het Tweede Internationale Ganzensymposium, dat twee jaar geleden werd bijgewoond door zo'n 200 ganzendeskundigen uit 20 landen. De organisatie was in handen van het International Waterfowl and Wetlands Research Bureau (IWRB), het bureau dat de ganzentellingen coordineert die door vrijwilligers in heel Europa worden uitgevoerd. Plaats van handeling was het Duitse Kleef, net over de grens. In het achterland van Nordrhein-Westfalen zijn grote populaties Riet- en Kolganzen te vinden. Door grindwinning en intensivering van de landbouw hebben de ganzen daar veel terrein verloren. Bovendien moet het wel erg verwarrend voor ze zijn dat ze op Duits grondgebied bescherming genieten, maar zodra ze bij ons de grens oversteken mogen worden bejaagd. Het lijkt ze niet echt te deren. Sinds 1960 is het aantal Kolganzen in ons land gestegen van zo'n 50.000 tot meer dan 400.000 dieren, terwijl het aantal Rietganzen in diezelfde periode toenam van 4000 naar 150.000 tot 160.000 dieren. Bovendien blijken veel 'Duitse' Kol- en Rietganzen na 31 januari, als het jachtseizoen in ons land gesloten wordt, alsnog de grens over te steken. Toch ziet hun toekomst er niet onverdeeld zonnig uit. Zowel langs de Nederrijn als aan de Dollard breidt de industrie steeds verder uit.

Bovendien wordt weiland omgeploegd tot bouwland, waar voor ganzen minder te halen valt en de vraatschade hun sterker wordt aangerekend. Als men de cijfers voor de rest van Europa bekijkt, blijken zeven van de negen Europese ganzensoorten vooruitgegaan. Alleen met de Dwerggans en de Rotganzen van Spitsbergen gaat het slecht. De Rotganzen van Spitsbergen, die met zo'n 4000 stuks tot de kleinste ganzenpopulaties ter wereld behoren, staan zowel op Spitsbergen als in hun overwinteringsgebieden in Denemarken en Oost-Engeland onder druk. Verscheidene bijdragen zijn gewijd aan de landbouwschade. Engelse onderzoekers concluderen dat het eigenlijk onmogelijk is om de kwantitatieve schade aan een perceel gras- of bouwland goed te schatten, tenzij aan de hand van uitgebreide, zorgvuldige monstername die handenvol tijd en geld zou kosten. Het zoeken naar een politiek compromis waar de boeren zich in kunnen vinden lijkt verstandiger. Uit Nordrhein-Westfalen wordt aan de hand van graasproeven in kooien gemeld dat er weinig opbrengstderving valt te meten tot een intensiteit van 1500 ganzedagen per hectare. Daarboven geldt dat de schade nogal varieert en in elk geval meer aantikt naarmate de groeiomstandigheden beter zijn. In een strenge winter maakt de aanwezigheid van ganzen weinig uit, het gras zou anders toch doodvriezen. In de uiterwaarden blijkt de ganzenvraat bovendien in het niet te zinken bij de gevolgen van de jaarlijkse overstromingen. Het blijkt ook niet zo te zijn dat de ganzen meer schade aanrichten naarmate ze langer blijven. Voor een breed publiek is deze bundel niet bedoeld, maar voor mensen die op de een of andere manier met ganzen te maken hebben is het een inspirerend boek. De jacht, daar lijken de meeste auteurs in deze bundel het over eens, is leuk voor jagers, maar beslist geen goede methode om landbouwschade te voorkomen en het aantal ganzen te reguleren. De sterfte door het jachtgeweer wordt vrijwel steeds gecompenseerd doordat de overlevingskansen van de overgebleven ganzen stijgen. Dit hoofdstukje moet staatssecretaris Gabor, die het eerste exemplaar van deze bundel in ontvangst nam, nog maar eens rustig lezen.