'In Amerika ligt zo'n nadruk op materieel bezit dat mensen minder legitieme niddelen gaan gebruiken'; Sociaal-psycholoog Harry Triandis over collectivisme en individualiteit in verschillende culturen

Amerikanen die in een groep samenwerken overschatten systematisch hun individuele bijdrage, Japanners onderschatten de hunne juist. Wanneer groepsleden afzonderlijk een schatting van hun eigen inbreng moeten maken, ligt de totaalscore van Amerikanen boven de 100 procent, terwijl die van Japanners daar onder blijft.

Deze bevinding is een voorbeeld van het soort onderzoek dat de laatste jaren gedaan wordt op het gebied van 'vergelijkende cultuurstudies'. Hield men zich vroeger in de culturele antropologie bezig met de dimensie 'beschaafd versus primitief', in de niet-westerse sociologie werd dat 'complexe versus eenvoudige structuren', en nu, in de cross-culturele studies spreekt men van 'individualisme versus collectivisme'. Een van de leidende onderzoekers op het gebied van de interculturele studies is de sociaal-psycholoog Harry Triandis, professor aan de universiteit van Illinois. Hij is sinds 1980 de editor van het Handbook of Cross Cultural Studies, waarvan om de paar jaar een nieuw deel verschijnt. Triandis is van geboorte Grieks en kwam na de Tweede Wereldoorlog naar Amerika om voor ingenieur te studeren. Toen hij deze titel behaald had, bedacht hij dat hij toch liever psycholoog wilde worden en besloot toen ook maar om in Amerika te blijven. Zoals de meeste sociaalpsychologen in de jaren vijftig en zestig hield hij zich bezig met attitude-onderzoek. Hij was vooral genteresseerd in (raciale) vooroordelen en in welke situaties die wel en niet toegepast werden. Later verbreedde hij zijn aandacht naar de vergelijking van culturen. Zijn kracht ligt niet zozeer in het ontwerpen van omvattende theorieen als wel in het grote overzicht en de integratie van het werk van anderen, waarbij hij zelf het onderzoekshandwerk niet uit de weg gaat.

Nog niet zo lang geleden stond hij in de hoofdstraten van Urbana (VS) en Kozane (Griekenland) te turven hoeveel voorbijgangers er op straat alleen, dan wel groepsgewijs zich verplaatsten. Door zijn functie als editor van het 'Handbook' heeft hij veel internationale connecties. Hij werkt samen met sociaal-psychologen in onder andere Japan, de Filippijnen, Indonesie, Korea, landen waar hij ook kortere of langere tijd geweest is, en kan daardoor vrij makkelijk aan data komen (een kwestie van vragenlijsten of onderzoeksopzetten coordineren en vervolgens per land het onderzoek uitvoeren). Sinds een jaar of zes is hij het onderscheid tussen individualisme en collectivisme als grondslag voor een heel scala aan andere verschillen gaan zien. Eigenlijk toen het Reagantijdperk goed en wel op gang kwam, halverwege de jaren tachtig. Amerika heeft altijd het individualisme hoog in het vaandel gehad, maar in de Reagan-jaren werd deze waarde wel heel zwaar geperverteerd. Individualisme werd narcisme, voor jezelf opkomen werd eigenbelang najagen en niemand wilde meer belasting betalen (dat hoefde ook niet meer). Christopher Lasch schreef al eerder 'The Culture of Narcissism', wat een bestseller werd, en van de socioloog Robert Bellah verscheen in 1985 'Habits of the Heart: Individualism and Commitment in American Culture', een diatribe tegen de 'wat levert het op'-mentaliteit, die Amerikanen aan de dag leggen in hun relaties. Volgens Bellah wint de behoeftebevrediging op korte termijn het steeds sterker van andere loyaliteiten en houden voor de lange termijn bedoelde verbintenissen als bijvoorbeeld een huwelijk geen stand meer, als de 'pay off' vermindert.

In een individualistische cultuur gaat het belang van het individu boven dat van de groep, in een collectivistische cultuur is dat andersom. Dat is waar het verschil op neerkomt? 'In oorsprong tot een flink eind in de twintigste eeuw was individualisme nauw gelieerd aan de protestantse ethiek, die zeer anti-hedonistisch was. Geleidelijk is het puritanisme verdwenen, en het individualisme is geerodeerd tot narcisme. Het individualisme van de 19de eeuw, waar de Tocqueville over schreef benadrukte de belangen van de gemeenschap. Natuurlijk was onafhankelijkheid belangrijk en eigen verantwoordelijkheid, maar niet ten koste van de gemeenschap, het dorp, het stadje, de buurt. Nu is de gemeenschap weggezakt tot een randverschijnsel in het dagelijks leven. Neem bijvoorbeeld het betalen van belastingen, waar iedereen zich ontzettend druk over maakt, waartegen geprotesteerd wordt, en die ook regelrecht ontdoken worden. Het is een symptoom van ''de gemeenschap interesseert me niet; het gaat mij alleen om mijn eigenbelang''.' Japan is een van de weinig uitzonderingen op de regel dat in rijke landen individualisme heerst en in arme landen collectivisme. Japan is rijk en desondanks collectivistisch. Wordt Japan nu langzamerhand meer individualistisch? 'Er zijn wel tendenzen die die richting op wijzen. Een algemene peiling onder studenten wees uit dat de jongeren zich nu onafhankelijker van hun ouders betonen en meer hun eigen weg gaan.

Plezier (hedonisme) is belangrijker voor hun. Er zijn duidelijke verschillen tussen ouderen en jongeren in Japan, maar dit kan best verminderen, wanneer de jongeren eenmaal in het bedrijfsleven worden opgenomen. Het bedrijf waar je werkt is erg belangrijk in Japan, heeft ook veel macht over het dagelijks leven van de werknemers. Vanaf kleuter- tot en met middelbare school heerst er een strak regime, met veel nadruk op hard werken. Zit je eenmaal op de universiteit, dan wordt het wat losser. Het is eigenlijk de enige periode in het leven van een Japanner met een relatief grote mate van vrijheid. Studenten zijn in die zin ook niet representatief voor de bevolking. Toch zie je ook elders in de maatschappij tendenzen richting individualisme. In 1989 werd er bijvoorbeeld een anti-discriminatiewet van vrouwen aangenomen: gelijke betaling voor gelijk werk. Vrouwen komen ook meer en meer in hoge functies. De vrouwelijke studenten waren trouwens nog wel collectivistischer dan de mannelijke. In de VS vind je die verschillen tussen mannen en vrouwen niet. Daar hangt iedereen de individualistische waarden aan.' Een van de opvallende verschillen betreft de criminaliteit. Terwijl Japan in vele opzichten een moderne maatschappij is, vindt er minder misdaad plaats, minder drugsgebruik, minder kindermishandeling. Ligt dat aan de opvoeding? 'Men is daar erg gericht op correct gedrag, het je houden aan de regels. Correct gedrag in tegenstelling tot het najagen van plezier. In collectivistische culturen word je niet opgevoed om je te onderscheiden van de groep. Je moet niet uitsteken, je moet opgaan in het geheel. Dit gaat heel ver. In het westen ligt de nadruk op het zichzelf onderscheiden. Ongewoon gedrag wordt sneller uitgeprobeerd, er staan minder sancties op. Aan de ene kant biedt dit voordelen: met ongewone ondernemingen loopt men meer kans op briljante ontdekkingen en onverwachte creativiteit, anderzijds kan men ook flink de mist ingaan. In collectivistische culturen is het gedrag van het individu voorspelbaarder, saaier en conformistischer; er is dus ook minder deviant gedrag in de zin van gestoord of crimineel of gewelddadig.

Dat wil niet zeggen dat er geen misdaad is, je hebt in Japan ook bendes en mafia-gezelschappen, maar de kans dat je in Tokio vermoord wordt is een twintigste van die in New York. Een deel van de misdaad hier kun je terugbrengen tot de heterogeniteit van de Amerikaanse maatschappij die tot spanningen leidt, maar een heleboel niet. Veel geweld speelt zich juist binnen de subculturen af: zwarten onderling, blanken onderling. En de helft van de moorden speelt zich af tussen verwanten, waarbij natuurlijk ook de beschikbaarheid van vuurwapens een rol speelt. Amerika heeft een lange en sterke traditie van geweld. Ook de witteboordencriminaliteit ligt aanzienlijk hoger in de VS dan in Japan. Belasting ontduiken, het eigen bedrijf bestelen. Ik vermoed dat mensen tot dit soort misdaad overgaan onder druk van het idee dat je alles uit je omgeving moet halen wat erin zit. Er ligt zo'n nadruk op materieel bezit en comfort - mooie, grote huizen en auto's, jachten, rijkdom, het jezelf van de anderen onderscheiden - dat dat mensen ertoe aanzet ook minder legitieme middelen te gebruiken.' Heeft men geen last van gevoelens als naijver of jaloezie in Japan? 'In collectivistisch culturen, en dus ook in Japan, doen gevoelens er uberhaupt niet zoveel toe. Je wordt opgevoed in correct gedrag, en wat je persoonlijke gevoel daarbij is wordt irrelevant gevonden. In de Amerikaanse cultuur vigeert het hedonisme, ook in de dingen die kinderen worden voorgehouden. ''Fun'' is een sleutelwoord. Kinderen gaan naar school, kijken tv, gaan op familiebezoek, ''omdat het leuk is''. Het is althans zeer belangrijk dat er ''fun'' bij te pas komt. Als dat wel eens tegenvalt, hebben ze meteen een reden om ermee op te houden.' Maar de meeste ouders hechten er toch aan dat hun kinderen iets leren?

'In Amerika worden kinderen worden heel vroeg tot zelfstandigheid en onafhankelijkheid aangespoord, om zelf de uren tussen school en slapen gaan stuk te slaan. Toen ik opgroeide in Griekenland waren er altijd volwassenen in de buurt. De kans dat ik iets uithaalde wat niet door de beugel kon, was minimaal omdat er altijd wel een oma of een buurman zo'n beetje toezicht hield. Hoe veel lagere- en middelbare schoolkinderen komen er nu niet om drie uur in een leeg thuis? Huiswerk maken is op zo'n ogenblik maar een van de vele opties. Wanneer is een kind rijp voor die zelfstandigheid? In verschillende culturen worden daar heel uiteenlopende maatstaven voor aangelegd. Zelf was ik nooit alleen in huis totdat ik ging studeren. In individualistische culturen wordt er eigenlijk tegen het kind gezegd: ''je moet zo snel mogelijk zelfstandig worden.'' In Japan is dat hele idee van die onafhankelijkheid niet zo belangrijk. Ze zitten er helemaal niet mee als iemand, jong of oud, afhankelijk is. In het westen geldt een onafhankelijk en zelfstandig persoon als beter af en psychisch gezonder dan een afhankelijk iemand, maar elders vinden ze het best als een kind tot zijn vijfentwintigste bij zijn ouders blijft wonen.' Het hedonisme van de Amerikanen verhindert toch niet dat ze op uiteenlopende gebieden tot grote prestaties komen. 'Het blijkt dat de behoefte om te presteren sterk samenhangt met de druk om zelfstandig en onafhankelijk te worden. De manier van kinderopvoeding in het westen is van oudsher ook gericht op prestatie en zich onderscheiden. Dat hedonisme is pas van de laatste twintig jaar.

De Japanners doen het in economisch opzicht al met al vrij aardig zonder die prestatiedwang; zij worden veel meer tot gemeenschapszin en cooperatie opgevoed. Het gaat meer om het belang van de groep. De competitie die daar heerst bestaat niet uit het individu tegen de rest, maar uit de ene groep tegenover de andere. Psychologisch gesproken heeft dat grote voordelen: als het individu faalt in een individualistische cultuur, is hij alleen - in een collectivistische cultuur is het het falen van de groep. Goed, het is niet leuk om te falen, maar je zit althans met z'n allen in het schuitje. Het falen heeft daardoor niet zo'n enorme invloed op het geestelijk welbevinden, de zelfwaardering lijdt er niet zo onder.' Maar een schoolkind dat een proefwerk maakt of examen aflegt, doet dat in z'n eentje, ook in Japan neem ik aan. 'Zeker, maar de benadering is anders. Er ligt meer nadruk op inspanning dan op talent. Als je faalt, dan komt dat eenvoudig doordat je niet hard genoeg gewerkt hebt. In Amerika hecht men zo aan intelligentie en competitie dat een kind bij falen al gauw denkt dat het niet geschikt is. Leerstoornissen, dyslexie, concentratiestoornissen, en hup, ze worden naar het speciaal onderwijs verwezen. In collectivistische culturen houdt men zich nauwelijks met intelligentie als zodanig bezig. Ze zeggen: er zijn wel verschillen in aanleg, maar die zijn niet zo belangrijk. Van veel groter belang is de mate van toewijding die iemand aan de dag legt. Binnen het scala van motivatie, goede studiegewoonten, doorzetten, is intelligentie een aspect, waar ze minder gewicht aan toekennen. Iedereen kan vaardigheid zus leren of taak zo volvoeren, als je maar hard genoeg werkt. Het is echt een radicaal andere benadering. Onze lagere en middelbare scholen zijn zo makkelijk, het niveau is zo laag, vergeleken bij bijvoorbeeld Europa en Japan, maar er zijn zoveel dropouts, het is eenvoudig absurd.' Alle data van psychologisch onderzoek komen uit het westen, terwijl 70 procent van de wereldbevolking in collectivistische culturen leeft. Zijn die resultaten nog wel generaliseerbaar? Ik bedoel, ervaart een Japanner ook cognitieve dissonantie?

'Er zijn natuurlijk veel overeenkomsten: in biologisch opzicht, in soorten van samenlevingsstructuren, en in wat men belangrijk vindt in het leven. Cognitieve dissonantie is ook een algemeen menselijk verschijnsel. Maar tegen het Oedipus-complex bijvoorbeeld kijken ze nogal vreemd aan. 'Dat kennen wij gelukkig niet in Japan,' heeft ooit eens een Japanner gezegd. Maar er zijn nog wel meer verschillen. In de sociale psychologie bijvoorbeeld bestaat het verschijnsel dat 'ingroups' als heterogener worden gezien dan 'outgroups'. Hiervan werd lang aangenomen dat het iets universeels was. Je vraagt een aantal mensen: 'wie zijn er heterogener, mannen of vrouwen?' De vrouwen antwoorden dan: 'vrouwen' en de mannen: 'mannen'. De verklaring hiervoor is dat we meer weten van mensen met wie we in een groep zitten, of de sekse delen, en vandaaruit de onderlinge verschillen sterker benadrukken. Het gevolg is dat mensen die niet in de ingroep zitten meer als een pot nat worden beschouwd. Maar stel je zo'n vraag in China, dan vind je precies het tegenovergestelde. Zij denken dat ingroep-leden erg op elkaar lijken, veel homogener zijn als groep, en iedereen die erbuiten valt op allerlei gebieden heel erg verschillend is, een heterogeen rotzooitje eigenlijk. Zij vinden het ook nastrevenswaardig om homogeen te zijn en in goede harmonie dezelfde blik erop na te houden.' Psychologie is een wetenschap die het individu als uitgangspunt neemt. Wordt de psychologie als zodanig eigenlijk wel beoefend in collectivistische culturen? 'In het westen wordt gedrag gezien als iets dat uit de persoon zelf voortkomt. Persoonlijkheidstheorieen blijven door de jaren heen 'hot'.

Attitudes, talenten (nu weer die interesse in hoogbegaafdheid), al die dingen die in de persoon zelf zitten. De rest van de wereld schrijft gedrag toe aan externe factoren, aan de omgeving, de mensen waar de persoon mee omgaat, de taak die moeilijk of makkelijk is, de groep waar hij deel van uitmaakt. Als je ook in India of China vraagt wat ze aan persoonlijkheidstheorie doen, zeggen ze: ''dat is hier niet zo ontwikkeld''. Maar eigenlijk vinden ze het ook niet interessant. Het gaan hun veel meer om groepen, omdat uiteindelijk het individu doet wat de groep van hem of haar vraagt en niet wat hij zelf verzonnen heeft.' Zou je als generalisatie kunnen stellen dat sterke mensen beter af zijn in een individualistische cultuur en zwakke beter in een collectivistische? 'Het uitwisselen van geld, goederen en vooral informatie is beter geregeld in individualistische culturen, terwijl collectivistische culturen beter overweg kunnen met het uitwisselen van liefde, status en diensten. Mensen die over een veelheid aan reserves beschikken, of dit nu geld, intelligentie of ontwikkeling betreft zijn absoluut gebaat bij een individualistische cultuur, omdat daar meer de norm van opbrengsten naar input geldt. Hoe meer je te bieden hebt, hoe beter het je vergaat. In collectivistische culturen heersen meer gelijkheidsnormen en opbrengst naar behoefte in plaats van naar investering. Hoewel personen van hoge status rijker zijn en ook meer vruchten plukken van hun positie dan personen van lage status, vallen personen van lage status minder snel uit de boot, omdat er altijd het vangnet van de familie is. Kleine kinderen, zieken, ouden van dagen en andere niet-zelfstandige personen krijgen meer aan revenuen (eten, zorg, aandacht) dan ze inbrengen. In het onderzoek dat ik heb gedaan speelden concepten als 'onafhankelijkheid', 'afstandelijkheid ten opzichte van de subgroep' of 'op jezelf vertrouwen om te slagen in het leven' wel mee, maar het enige wat er echt toe deed in de vergelijking van collectivistische en individualistische culturen was de 'integriteit van het gezin'. Dat ging dan om vragen als 'kinderen moeten tot hun huwelijk thuis blijven wonen' of 'ouders moeten hun oude dag bij een van hun kinderen doorbrengen.' In Amerika (en Europa) was nauwelijks iemand het daar mee eens, in de Aziatische culturen bijna iedereen. De 'extended family' als hoeksteen van de samenleving? 'Het is zo'n belangrijk cultureel verschil, dat allerlei andere verschillen erbij in het niet vallen.

In het westen is de horizontale partner-relatie de spil, waar de cultuur omheen draait. In de meeste collectivistische culturen zijn dat andere (vertikale) relaties: vader-zoon, of moeder-zoon, of moederdochter of oudere broer-jongere broer. Het verschil komt het duidelijkst aan het licht in de vergelijking van gearrangeerde huwelijken en verbintenissen uit liefde. Buss deed een onderzoek naar wat men van de toekomstige partner verwacht. In collectivistische culturen ging het om betrouwbaarheid, een goed inkomen, bekwaamheid in het huishouden, respectabele schoonouders. In individualistische culturen zocht men vooral iemand met een 'exciting personality'. Daar had men geen behoefte aan in India. De persoonlijkheid van de partner is altijd al belangrijk geweest in het westen, maar sinds de vrouwenemancipatie nog sterker, want vrouwen zijn in toenemende mate in staat in hun eigen onderhoud te voorzien. Zowel mannen als vrouwen kortom hebben meer opties dan in een huwelijk te blijven hangen, waarin de persoonlijkheid van de partner na verloop van tijd niet meer zo opwindend is.' Gaat het in Amerika de kant van de desintegratie op? 'Het aantal daklozen is nog steeds stijgende. Het aantal echtscheidingen heeft dan wel een plateau bereikt, maar treft nog steeds bijna een op de twee huwelijken. Maar een willekeurig individu heeft wel steeds minder mensen ter beschikking om op terug te vallen. In Amerika woont nog maar 17 procent van de bevolking op het platteland, de rest woont in de steden en is daarbij in toenemende mate mobiel. In steden heb je talloze groepen en subculturen waar je uit kunt kiezen om lid te worden, en als het je niet bevalt ben je zo weer weg. Vrienden komen en gaan. Mensen verhuizen omdat ze elders een betere baan of uberhaupt werk kunnen krijgen. Ouders blijven achter, broers en zusters vertrekken naar nog weer elders. Bijna alle gezinnen met volwassen kinderen zijn verspreid over heel het land. En het is zo'n groot land. Zowat elke verhuizing komt neer op een emigratie.'

“Dat komt juist door gebrek aan ontwikkeling van het platteland! Daar is te weinig in geinvesteerd. Mensen willen 's avonds licht hebben. Ik heb zelf meegemaakt in Zuidamerikaanse dorpen zonder elektriciteit dat ze me op straat nariepen: 'Luz!' Ze wisten dat ik van een ontwikkelingsorganisatie was en ze wilden licht hebben. Vind je het gek dat ze dan naar de stad gaan, waar je de elektriciteit kunt aftappen van de straatverlichting? En er is te weinig werkgelegenheid op het platteland, er valt geen inkomen bij elkaar te sprokkelen. Dus iedereen gaat zijn geluk beproeven in de grote stad. 'De', want een van de moeilijkheden in bij voorbeeld de Zuidamerikaanse landen is dat er per land vaak maar een stad van betekenis is, de hoofdstad; er zijn geen andere steden, waardoor het probleem van de toeloop gespreid zou kunnen worden. In die zin is het nog niet zo gek dat landen als Argentinie en Tanzania willen doen wat Brazilie in het verleden heeft gedaan, een nieuwe hoofdstad creeren. Een bewust beleid om intermediaire steden te ontwikkelen. “