Fundamentalisten Algerije zijn uit de gunst

Het ging niet goed met het Algerijnse Front van Islamitische Redding (FIS). Zijn leiders waren verdeeld, zijn kiezersaanhang slonk. Een jaar geleden, na zijn grote overwinning in de plaatselijke verkiezingen, werd het fundamentalistische FIS nog gedoodverfd als toekomstige machthebber. Maar nu het zover was, nu Algerijes eerste vrije parlementsverkiezingen sinds de onafhankelijkheid van Frankrijk in 1962 voor de deur stonden, dreigde de partij de verliezer te worden tegen het verjongde FLN, het regerende Nationaal Bevrijdingsfront, dat zich een steun in de rug had gegeven met behulp van een handig opgestelde kieswet.

Wegens de escalerende protestacties tegen de kieswet die de fundamentalisten vervolgens organiseerden, heeft president Chadli Benjedid die voor 27 juni vastgestelde verkiezingen nu voor onbepaalde tijd uitgesteld. Chadli had er nooit een geheim van gemaakt dit te zullen doen in het geval van ordeverstoringen. Het is goed mogelijk dat de organisatoren van de protesten hier op uit waren: beter geen verkiezingen dan verloren verkiezingen. Algerije was nu een islamitische republiek geweest als vorig jaar juni in plaats van lokale verkiezingen parlementsverkiezingen waren gehouden: het FIS won toen de macht in bijna alle steden. De tussenperiode van een jaar is echter te veel geweest voor de partij. Zelf had het FIS ook snelle verkiezingen geeist.

Maar Chadli treuzelde, en het tij verliep. Door het FIS gedomineerde gemeente- en districtsraden konden evenmin als eerder het verstarde en corrupte FLN een afdoende antwoord vinden op de talloze problemen, in de eerste plaats woningnood, werkloosheid en een verouderde drinkwatervoorziening. Maar dat konden de fundamentalistische bestuurders deels nog afschuiven op datzelfde FLN, dat hen immers tegenwerkte waar het kon, door hen financieel krap te houden of hun bevoegdheden te betwisten. Maar door eigen toedoen stootten ze ook veel potentiele kiezers af door hun islamitische gedrevenheid. Natuurlijk, zo onderstreepte FIS-leider Abassi Madani, zouden de Algerijnse vrouwen niet worden gedwongen het hoofd te bedekken. Natuurlijk zou na de onontkoombare fundamentalistische verkiezingsoverwinning niet onmiddellijk een islamitische staat worden ingevoerd. Maar de feiten wezen al heel snel in een andere richting. FIS-burgemeesters lieten de populaire filmclubs sluiten als in strijd met de goede islamitische zeden. In Oran mocht de geliefde ra-muziek, Noordafrikaanse rockmuziek, niet meer ten gehore worden gebracht. “We willen een nieuwe generatie opbouwen die in staat is dit land te leiden. Sponsoring van moreel bankroet, chaos en obscene lyriek zal dat niet verwezenlijken”, zei de burgemeester van Oran. Verkoop van alcoholische dranken werd aan banden gelegd, soms via subtiele aansporing, vaker met niet-verhulde dreigementen, op scholen en stranden werden de seksen gescheiden. En vaak werd de wereldlijke corruptie van het FLN vervangen door de islamitische corruptie van het FIS. De oorlog in het Golfgebied leidde tot een kortstondige opleving van de populariteit van het FIS, dat zich na een korte aarzeling - het werd door Saoedi-Arabie gefinancierd - een trouwe aanhanger van de Iraakse president Saddam Hussein toonde. Maar de feitelijke ontruiming van Koeweit verliep zo snel dat de leiders van het FIS er geen blijvend profijt van konden trekken. De zelfs voor FIS-maatstaven radicale nummer twee, sjeik Ali Belhaj, was met 300 aanhangers net in Jordanie gearriveerd op doorreis naar Irak toen het oorlogsgeweld al weer was afgelopen. Saddams grote woorden bleken hol, en Belhaj zag er lichtelijk belachelijk uit. En president Chadli, die zich naar verhouding op de vlakte had gehouden, plukte de vruchten. De steun voor het FIS zakte opnieuw weg. Het FLN op zijn beurt hielp zichzelf door een kieswet door te voeren - het huidige parlement is geheel in regeringshanden - die een overwinning voor de fundamentalisten onmogelijk moest maken. De grenzen van de kiesdistricten werden zo getrokken dat op het meer FLN-gezinde platteland weinig, en in de op het FIS georienteerde steden veel stemmen nodig zouden zijn om de overwinning te behalen. Voorts werd bepaald dat in twee ronden zou worden gestemd: de twee besten van de eerste ronde moesten een tweede ronde uitvechten als geen kandidaat onmiddellijk een absolute meerderheid haalde. In een directe strijd tussen FLN en FIS - want die zouden als verreweg de grootste partijen automatisch overblijven - zouden angstige kiezers uiteindelijk wel de wereldlijke zekerheid van het FLN kiezen, redeneerde de regering. En het gebruik van moskeeen voor politieke doeleinden, waarmee het FIS was groot geworden toen Algerije nog onaangeraakt was door enige democratisering, werd verboden. Dat gebeurde 1 april. Het FIS was razend; Madani sprak van hoogverraad en beschuldigde de regering er van de uitslag van de verkiezingen - die twee dagen later voor 27 juni werden vastgesteld - “vantevoren te hebben vervalst”. Een opiniepeiling onderstreepte enkele weken later het gelijk van de regering. In de eerste verkiezingsronde, wanneer meer dan 40 deelnemende partijen met name aan FLN-zijde stemmen zouden wegzuigen, zou het FIS negen procent meer stemmen krijgen dan het FLN.

In de tweede ronde echter, wanneer het er echt toe doet, zou het FLN zeven procent meer krijgen dan het FIS. Madani, aanvankelijk tegenover de extremistische Ali Belhaj het gematigde gezicht van het FIS (het valt allemaal wel mee met die islamitische staat; de vrouw wordt niet gedwongen het hoofd te bedekken), gebruikte intussen steeds hardere taal tegen de autoriteiten. De kieswet moest worden ingetrokken, dat in de allereerste plaats, maar ook president Chadli moest weg, en als hij geen presidentsverkiezingen uitschreef zou hij in een jihad, heilige oorlog, worden verdreven, dreigde Madani. En ook hij eiste een islamitische staat. Een algemene staking van onbepaalde duur zou de regering zodanig onder druk zetten dat zij wel zou moeten inbinden, dachten de FIS-leiders, en die begon op 25 mei. Daarbij bleek onmiddellijk hoezeer het leiderschap van het FIS van zijn aanhang was vervreemd: nog geen drie procent van de werknemers gaven aan de stakingsoproep gehoor. Maar de stoottroepen van het FIS, radicale studenten die zich wel konden vinden in Madani's radicalisering, en de hopeloze, jonge werklozen die aan elke rel meedoen, hielden dagelijks marsen in de steden en verlamden het verkeer. Waar nodig werden versterkingen van een stad naar een andere getransporteerd om indruk te maken op de bevolking. Winkeliers werden door intimidatie gedwongen hun zaken te sluiten en fabriekspoorten werden geblokkeerd. “Chadli weg. Islamitische staat”, scandeerden duizenden betogers en Madani maakter “de stem van miljoenen demonstranten en stakers” van. Ali Belhaj stelde vrijdag: “Na zeven dagen staking is gebleken dat het hele volk een islamitische staat wenst. De staking heeft de islamitische bries getoond die door het land waait.” De staking moest doorgaan, verzekerden beiden. Maar twee dagen tevoren was gebleken dat niet alleen de aanhang van het FIS verdeeld was, maar ook het leiderschap. De consultatieve raad, de Majlis Echchoura, riep toen op tot beeindiging van de staking. “Het houden van een staking op dit moment is niets anders dan een samenzwering van de autoriteiten en hun agenten om een maas in de wet te vinden om het FIS en zijn verdiensten te vernietigen.” Madani en Belhaj stoorden zich er niet aan: de staking en de protestacties gingen door tot Chadli Benjedid maandagnacht zijn dreigement waarmaakte en de staat van beleg afkondigde. De onmiddellijke toekomst van Algerije is vol onbekenden.

Hoe lang blijft het leger in de straten? Wat gaat het FIS nu doen? En komen die verkiezingen er alsnog? De hoofdrolspelers zwijgen nog.

Op welke dag hij is vertrokken, hoelang hij is weggeweest, dat kan met geen mogelijkheid meer vastgesteld worden. Zelfs over de route die hij heeft gevolgd, bestaat geen zekerheid. “Begin augustus verliet hij Eindhoven om over Libau, Riga en Reval naar St. Petersburg te reizen”, noteert Bouman, op gezag van Antons echtgenote. Maar bij het zilveren bedrijfsjubileum in 1916 verklaart Anton zelf in een vraaggesprek met de NRC, dat wat intussen Petrograd heet, alleen maar het begin van zijn reis was. “Dadelijk na aankomst had ik in twee dagen praten een order van honderdduizend lampen. Dien zelfden avond noteerde ik er nog een van 50.000. Toen direct door naar Finland. In Helsingfors plaatste ik er 35.000 en zoo ging 't door naar Moskou, Kieff, Odessa, enz. enz. Overdag zaken doen, 's nachts reizen: in zeven en twintig dagen uit en thuis, waarvan een en twintig nachten in de trein.....”