De tovenaar en zijn leerling

Retrospectief Jacques Tati-Bert Haanstra, Filmhuis Den Haag, 7 t-m 20 juni.

De beroemde openingsbeelden uit Fanfare, de uit 1958 daterende succeskomedie van Bert Haanstra, hadden van Jacques Tati kunnen zijn.

Zoals die Giethoornse koeien zonder enig commentaar langs de horizon van het weiland lijken te schuiven, zo zou Tati het ook hebben gedaan als het beeld ooit op zijn netvlies was gekomen. Ook in de rest van de film doet zich hier en daar nog een Tati-achtig grapje voor, maar de vergelijking gaat na dat puur visuele begin een heel stuk manker.

Haanstra verfilmde een intrige met dialogen en hoofd- en bijfiguren en liet daarin beroepsacteurs optreden - een groot verschil met de tamelijk woordenloze wereld van Tati, waarin de logica veel strenger is en de verteltrant veel celebraler. Toch zijn voor de koppeling die het Haags Filmhuis de komende twee weken tussen beide cineasten maakt, heel wat argumenten voorradig. Haanstra maakte met Fanfare zijn speelfilmdebuut, nadat hij bij het zien van Les vacances de Monsieur Hulot jaloers was geworden op het talent van Tati om een bioscoopzaal aan het lachen te maken. Jaren later, in 1963, werkte Tati aan een Franse bewerking van Haanstra's charmante verborgen-camera-documentaire Alleman. Dat leidde tot niets, omdat Haanstra uiteindelijk vond dat de internationale markt maar genoegen moest nemen met de oorspronkelijke film. De mogelijkheid om voor het eerst samen aan een nieuwe film te werken, deed zich voor in 1969. Bert Haanstra, de tovenaarsleerling, slaagde er op dat moment in de tovenaar door een diep dal te trekken. Tati's Playtime had de gevierde eenling prachtige kritieken opgeleverd, maar povere bezoekcijfers. Zijn publiek accepteerde niet dat Monsieur Hulot was weggetrokken uit het aanvallige, overzichtelijke wereldje van dorpspleintjes, strandtentjes en postbodes en nu een koud universum van vliegvelden, kantoorflats, glas en beton had geschapen. De warmte was weg, vonden de Hulot-fans. Dat de film daar nu juist over ging, was aan dovemansoren gezegd. Haanstra inspireerde Tati tot het uitwerken van een nieuw idee en bracht de speurtocht naar geldschieters op gang. In het staketsel van Trafic is de samenwerking tussen Tati en Haanstra nog te herkennen: de Tati-figuur heeft een kampeerauto met verrassende gadgets uitgevonden, die hij vanuit Frankrijk naar de Auto-Rai in Amsterdam moet rijden. Ook op de titelrol is zijn Nederlandse collega, zij het met enige moeite, nog te vinden: er wordt dank uitgebracht aan een zekere B.

Naanstra. En tenslotte blijkt diens inbreng uit de medewerking van Eduard van den Enden en Anton van Munster, de vaste cameralieden van Haanstra. Maar verder bleef er weinig over van wat zo veelbelovend begon. De bedoeling was, dat Tati het scenario zou leveren en weer zelf de hoofdrol zou spelen, terwijl Haanstra zou regisseren. Achteraf bezien moest dat mislukken. Tati was een typische solist die voor elke millimeter van zijn kadrering een strakke choreografie ontwierp en alle rollen wilde laten spelen door amateurs, die hij precies kon zeggen wat ze moesten doen. Haanstra werkte liever met beroepsacteurs en was bovendien veel meer geneigd gebruik te maken van spontane gebeurtenissen op locatie. Van de onder zijn regie gemaakte opnamen zijn in Trafic nog de neuspeuteraars achter hun autostuur te zien, die volgens de beproefde methode met de verborgen camera werden betrapt. Zelf zou Tati zo'n scene heel anders hebben gemaakt: hij observeerde in het alledaagse leven iets absurds, waarna hij het metaculeus voor de camera ging reconstrueren.

Het was Haanstra die het eerst inzag dat de twee kapiteins op het ene schip elkaar in de weg liepen. “Haanstra heeft de wijsheid, of zo u wilt de beminnelijkheid gehad om te zeggen, dat het de voorkeur zou verdienen wanneer ik de film alleen zou maken,” sprak Tati diplomatiek.

Aldus toonde Trafic aan, dat de overeenkomsten tussen de twee cineasten oppervlakkiger waren dan ze zelf hadden gedacht. Ze deelden hun gevoel voor licht-ironische humor en de absurditeiten van het dagelijks leven.

Maar ze verwerkten die milde verbazing volstrekt verschillend. Al op de eerste dag van het retrospectief, morgen, is te zien hoe hun achtergronden uiteenliepen: Tati verschijnt dan met zijn pantomime-nummers uit het theater in een kort filmpje van Rene Clement (Soigne ton gauche, 1936), terwijl van Haanstra de amusante documentaire Bij de beesten af wordt vertoond.