DE NATUUR TERUG in de Krimpenerwaard

De Krimpenerwaard, tussen Rotterdam en Gouda, is het eerste grote landbouwgebied dat grotendeels weer natuur moet worden. Een testcase voor het Natuurbeleidsplan.

De Veerstalblokboezem in de Krimpenerwaard behoort tot de zestien kleine natuurreservaten die de stichting Het Zuidhollands Landschap in dit polderland bezit. Een langgerekt terrein van dertien hectaren aan weerzijden van de Gouderakse Tiendweg schuin tegenover Gouda. Hier ziet men de Krimpenerwaard in zijn oude gedaante, toen de polder nog niet was aangetast door vervuiling, overbemesting en verdroging. Een van de schaarse relicten uit een vervlogen tijd met veel struweel, opgaand geboomte en een perceeltje blauwgrasland, dat zich door een afwijkende kleurschakering van de heersende monocultuur - hoogproduktief Engels raaigras - onderscheidt. Frank de Groot, die hier namens de stichting toezicht houdt, wijst op botanische bijzonderheden, waaronder de gevlekte orchis, klokjesgentiaan, dophei en veenpluis, kenmerkend voor een moeras- dan wel verlandingsvegetatie. Er vliegen een paar zwarte sterns op, die dichtbij broeden, samen met de ransuil. Aan de rand van een poel vertelt de beheerder: ''Hier vond ik vorig jaar bij het baggeren nog vijftig watersalamanders.'' De Groot, 29 jaar oud en woonachtig in de streek, is een natuurminnaar van boerenafkomst en als zodanig geeft hij onbedoeld gestalte aan de grootscheepse veranderingen die zich - als de tekenen niet bedriegen - in de Krimpenerwaard gaan afspelen. Het van oudsher boerenland, deel uitmakend van het Hollands-Utrechtse veenweidegebied, zal in belangrijke mate een natuurlijke, landschappelijk hoogwaardige bestemming krijgen. Dat wil althans de particuliere natuurbescherming, aangevoerd door Het Zuidhollands Landschap, en ze voelt zich daarin gesteund door de ambities van de regering, zoals neergelegd in het Natuurbeleidsplan, kortweg NBP.

ZELFKAZENDE BOEREN

De Krimpenerwaard: land van weteringen, tiendwegen, eendenkooien en knotwilgen. Maar vooral van melkveehouders, ruim 400 man sterk, die deels in de categorie 'zelfkazende' boeren vallen; de boerenkaas die zij bereiden, geniet een faam die verder reikt dan de ruim 12.000 hectare land en water waaruit de waard is opgebouwd. De landstreek wordt afgebakend door rivieren, de Hollands IJssel aan de noordwest- en de Lek aan de zuidkant, terwijl het idyllische stroompje de Vlist in het oosten de begrenzing vormt. Aan Lek en Hollandse IJssel kwam industrie, vooral in de vorm van scheepsbouw, tot ontplooiing. In de polder liggen dorpen als Berkenwoude, Stolwijk en Bergambacht. De zuidwestpunt is sterk verstedelijkt sinds Krimpen aan den IJssel hier uit zijn voegen groeide. Deze geurbaniseerde en gendustrialiseerde punt valt dan ook buiten de landinrichting - ruilverkaveling nieuwe stijl - die sinds 1982 in de Krimpenerwaard wordt voorbereid.

Ze moet boeren de helpende hand bieden in hun streven naar een efficientere bedrijfsvoering, maar ook de belangen van natuur en recreatie dienen. Hierbij gaat het om ruwweg 10.000 hectare, praktisch dezelfde oppervlakte die als kerngebied te boek staat in het Natuurbeleidsplan. Die nota behelst inmiddels, anders dan de naam doet vermoeden, geen regeringsplan, maar een regeringsbeslissing. Ze wordt gekenmerkt door wat men noemt een ecologische hoofdstructuur of anders gezegd: een duurzaam, stabiel netwerk van natuurgebieden of 'groene longen', verspreid over Nederland en aan elkaar te verbinden door kleinere natuurterreinen als 'stepping stones' voor onder meer vliegend en kruipend gedierte. Ook de Krimpenerwaard, globaal gelegen tussen Biesbosch en Nieuwkoopse Plassen, is als groene long bestemd, wat betekent dat de veeteelt een niet geringe veer moet laten, en daar is volgens de particuliere natuurbescherming alle reden voor. ''De Krimpenerwaard'', zegt ir. R.D.W. Hijdra van Het Zuidhollands Landschap (ZHL), ''is het enige gebied in Hollands groene hart dat nog niet wordt doorsneden door autosnelwegen en waar, althans tot nu toe, geen verdere claims van woningbouw en industrie op rusten. Met andere woorden: hier heersen nog openheid en rust en dat is uitermate belangrijk als tegenwicht tegen de overvolle Randstad. Laat men dus hier zijn kansen grijpen en als dat goed gebeurt, kan het zijn uitstraling hebben op aangrenzende gebieden als Lopikerwaard, Alblasserwaard en het plassengebied.'' ZHL wil hierin zeer ver gaan, verder dan rijk en provincie om van de boeren maar te zwijgen. De stichting zet hoog in: van die 10.000 hectare land en water moet 6.500 hectare een bestemming krijgen die vooral de natuur en dan pas de boer ten dienste staat.

Instrumenten daarvoor zijn de Natuurbeschermingswet, de uit de jaren zeventig daterende Relatienota (over de verhouding tussen landbouw en natuur) en het jongste middel van de natuurontwikkeling, te omschrijven als 'het bewust creeren van omstandigheden waarin plante- en diersoorten kunnen voortbestaan op plaatsen waar die condities nu ontbreken, maar in potentie wel aanwezig zijn'. En wat de resterende 3.500 hectare betreft, die moeten op z'n minst beantwoorden aan een basismilieukwaliteit, wat onder meer betekent: schoner water, minder mest en kunstmest en duurzaam bodemgebruik. NATUURLIJK?! Dat een dergelijke toestand nog ver te zoeken is, blijkt uit een rapport - De Krimpenerwaard natuurlijk?! - dat ZHL over de polder liet opstellen en waarin negatieve kwalificaties de positieve overheersen. Het begint hoopgevend: ''De Krimpenerwaard bezit belangrijke natuur- en landschapwaarden, onder andere duidelijke sporen van zijn ontstaansgeschiedenis, water- en oevervegetaties, belangrijke weidevogelpupulaties en broedplaatsen van de zeldzame zwarte stern. (...) De hele waard kan als een groot historisch-landschappelijk monument worden beschouwd.'' Er is sprake fossiele rivieren, een boeiende, fasegewijze ontginning, die omstreeks 1000 na Christus begon, en uitgestorven teelten als die van hop en hennep. Maar al snel komt in de rapportage de hedendaagse ellende naar boven. De kwaliteit van het oppervlaktewater bijvoorbeeld laat in het hele gebiedte wensen over en dat is voor menige sloot of wetering nog zwak uitgedrukt. De vervuiling komt op naam van al dan niet illegale puntlozingen, uitspoeling van landbouwmest, alsook de inlaat van 'gebiedsvreemd' water in droge tijden.

Dat is vooral water uit de Lek, een van de armen van de Rijn, die de laatste jaren dan opgeknapt mag zijn, maar nog allerminst een schoonheidsprijs verdient. Tot de gesignaleerde plagen behoort ook hier de eutrofiering, neerkomend op een wildgroei van algen, die plant en dier verstikken, en een gevolg is van overmatige fosfaat- en stikstofbelasting. Een voor het natuurlijke leven bedreigend verschijnsel is een laag grondwaterpeil, waardoor vochtminnende plantesoorten met hun wortels in het droge komen te hangen en sterven. Voor de Krimpenerwaard komt er als extra nadeel bij dat hier in het verleden veel sloten illegaal zijn gedempt met afval, betrekkelijk onschuldig puin, maar ook chemisch afval, dat ongeremd de bodem binnendrong. Een van de Krimpenerwaardse dorpen is Lekkerkerk, waar begin 1980 een opzienbarend geval van chemische bodemvervuiling aan het licht kwam en dat sindsdien model staat voor deze vorm van milieubederf. Lekkerkerk als eerste van een schier onafzienbare reeks gifbelten waarmee ons land bleek opgezadeld. Uit het rapport weer: ''De floristische samenstelling van het aanwezige oppervlaktewater duidt in een groot deel van de Krimpenerwaard op een slechte tot vrij slechte waterkwaliteit. Het betreft vooral kroosvegetaties, die kenmerkend zijn voor vervuilde, voedselrijke wateren.'' Gewenst wordt een massale terugkeer van bijvoorbeeld waterviolier en drijvend fonteinkruid, die nog aan de randen van de waard en in verspreide polders voorkomen. Wat de oeverbegroeiing aangaat is sprake van een gradient in cultuurdruk.

Anders gezegd: hoe dichter bij de boerderij met bijbehorende bemesting en begrazing, hoe kleiner de soortenrijkdom. Om koekoeksbloem, dotter en kale jonker te vinden, moet men vaak diep het veld in. Schrale graslanden, vroeger kenmerkend voor de hele waard, bestaan nog slechts in natuurgebiedjes als de Veerstalblokboezem bij Gouderak.

VOGELSTAND

Over de vogelstand in de Krimpenerwaard zegt het rapport: ''In open delen waar rust heerst en intensief agrarisch gebruik achterwege bleef, komt plaatselijk nog een rijke weidevogelstand voor.'' Die bestaat dan voornamelijk uit kievit en scholekster, die weinig kieskeurig zijn. Een soort als de zomertaling echter is sinds eind jaren zestig met meer dan 95 procent achteruitgegaan, onder andere door biotoopverlies. Kemphaan en watersnip zijn als broedvogel geheel verdwenen. Tureluur en grutto, die vroeger in de Krimpenerwaard een bolwerk hadden, komen hier nauwelijks meer in opvallende dichtheden voor. Daar staat tegenover dat de wulp zich kort geleden metterwoon in de waard heeft gevestigd. Voor de zwarte stern kreeg dit gebied het predikaat 'van internationale betekenis'. Eind jaren zeventig daalde de zwarte-sternpopulatie door een reeks ongunstige omstandigheden (onder andere voedseltekort, verlaging van het waterpeil en verstoringen door recreatie en landbouw), maar nu is de stand vrij stabiel met tachtig a honderd broedparen, wat neerkomt op bijna de helft van de Zuidhollandse populatie. Onder de titel 'Zoogdieren' wordt ten overvloede gemeld dat de otter uit de Krimpenerwaard is verdwenen. Hetzelfde geldt voor de steenmarter. Herintroductie wordt echter in het kader van het Natuurbeleidsplan overwogen. De waard telt vier vleermuissoorten, terwijl in de sector amfibieen en reptielen de kleine watersalamander op de voorgrond treedt. Van de dertig soorten dagvlinders die hier vroeger van bloem tot bloem trokken, zijn er nog maar elf over, een verarming die ook weer wordt toegeschreven aan ontwatering, alsook intensief graslandgebruik. Het zijn begrippen die in de rapportage om de haverklap opduiken, evenals 'voedselarm milieu', maar dan als ideaalbeeld, waar de driehoek tussen Gouda, Schoonhoven en Krimpen nog ver van verwijderd is. De teneur van het stuk laat zich vrijwel samenvatten in deze verzuchting: ''De voor de Krimpenerwaard zo karakteristieke soorten van de voedselarme milieus komen bijna niet meer voor...''

RELATIENTEA

Maar het kan allemaal ten goede veranderen, is de stellige overtuiging van Het Zuidhollands Landschap, verwoord door ir. Hijdra, die het vigerende rijksbeleid aangrijpt ter ondersteuning van wat de particuliere natuurbescherming hier in het hart van Holland nastreeft. De regering heeft de intentie uitgesproken om in de kerngebieden waar het Natuurbeleidsplan over rept, gemiddeld de helft van het aangegeven oppervlak te realiseren als 'duurzame natuur'. Dat betekent voor de Krimpenerwaard een areaal van ongeveer 5.000 hectare, waar het ecologisch belang, vertaald in pinksterbloem, kemphaan en hermelijn, moet prevaleren. Hier komt onder meer de al genoemde Relatienota in stelling. Deze voorziet niet alleen in verdere reservaatvorming, maar ook - en dat is de basisgedachte - in een stelsel van beheersgebieden, waar de boer zich terwille van plant en dier aanmerkelijke beperkingen oplegt. Die beperkingen houden bijvoorbeeld in dat veehouders in de polder pas na 15 juni het land maaien om weidevogels gelegenheid te geven hun eieren uit te broeden en jongen groot te brengen. Het gebruik van mest en bestrijdingsmiddelen moet er drastisch terug en ook de ontwatering, zo schadelijk voor de plantenwereld, wordt aan banden gelegd. Dit alles verlaagt zijn opbrengst, maar daartegenover staat een vergoeding van het rijk, die maximaal (f) 1200 per hectare per jaar bedraagt. Om daarvoor in aanmerking te komen, sluit de boer, op vrijwillige basis en voor de tijd van zes jaar, een beheersovereenkomst met de staat. Dat laatste, vooral het vrijwillige karakter van de afspraak, geeft tevens de zwakte van het stelsel aan, reden waarom de particuliere natuurbescherming er vraagtekens bij zet. ''Er is grond voor twijfel aan het duurzame karakter van zo'n beheersoverkomst'', aldus Hijdra. ''Zodra het de boer commercieel beter uitkomt om gras of wat dan ook in plaats van grutto's te verbouwen, kan hij na zes jaar terugvallen op de oude toestand en zijn we weer even ver van huis.'' In de gegeven omstandigheden echter zit er voor hem en zijn geestverwanten niets anders op dan met dit instrument genoegen te nemen. In de loop der jaren sinds 1975 is een oppervlak van circa 100.000 hectare boerenland onder de Relatienota komen te vallen; een deel daarvan is uitgevoerd. Een tweede ronde van nog eens 100.000 hectare is aangekondigd in het Natuurbeleidsplan van de regering en een stukje van die 'pot' (voor heel Zuid-Holland een kleine 6.000 hectare) wordt aan de Krimpenerwaard toebedacht.

NATUURONTWIKKELING

Verder moet natuurontwikkeling uitkomst bieden om het gewenste aantal min of meer 'natuurlijke' hectares te halen. Daarbij wordt de bewuste grond aan agrarisch gebruik onttrokken om na een fase van menselijk ingrijpen als steun in de rug weer op eigen benen te leren staan. Een creatieve, zo men wil offensieve dimensie aan de defensieve en gangbare politiek van natuurbehoud. Men ziet daarvan iets in de Oostvaardersplassen (Flevoland), waar Heckrund en Konickpaard werden losgelaten om de natuur al grazend te verrijken. De 'ontwikkelingsgedachte' ligt ook ten grondslag aan het plan-Ooievaar voor rivierenland. In de Krimpenerwaard zou door dit middel weer zoiets als moerasbos kunnen gedijen. ZHL kent aan dergelijk 'oerbos', gevoegd bij stroken verlandingsveen, grote waarde toe in twee varianten voor herinrichting van de Krimpenpenerwaard. Beide versies zijn qua oppervlak natuur of half-natuur ambitieuzer dat wat het rijk voor ogen staat. Terwijl de regering op haar beurt verder wil dan de boeren lief is. Iemand als Hijdra kan wel begrip voor hun standpunt opbrengen: ''Ze klagen dat ze steeds weer nieuw beleid over hun dak krijgen. Eerst ging het om 600, vervolgens om 2.100, toen om 3.000 en nu om 5.000 hectare land die ze geheel of gedeeltelijk uit handen moeten geven. Zoiets werkt verwarrend.'' Maar over de zaak zelf is hij onverbiddelijk: ''De boerenstand, die hier nu vaak een moeizaam bestaan leidt, zal aanzienlijk in omvang terugmoeten. Pas dan kan elke individuele veehouder behoorlijk aan de kost komen, terwijl de natuur pure winst boekt. In ons rapport pleiten we trouwens voor overheidsubsidie om de boer te helpen overschakelen naar gentegreerde en ecologische landbouw.''

Dan is er ook nog de provincie Zuid-Holland, in dit verband een gewichtige zo niet bepalende bestuurslaag, die niet alleen met de uitvoering van het NBP is belast, maar ook de landinrichtingsplannen beoordeelt. De provincie gaat drie modellen voor de Krimpenerwaard uitwerken, die zich gemiddeld onder rijksniveau bewegen. Begrijpelijk, want Zuid-Holland komt er bij de toedeling van 'natuurvriendelijke hectares' uit de nationale pot tamelijk bekaaid af. Als GS hun pijlen grotendeels op de Krimpenerwaard zouden richten, kunnen ze in de rest van de provincie hun natuurbeleid geen gestalte geven. Toch is dit voor Hijdra geen doorslaggevend argument: ''Dan moet de provincie bij staatssecretaris Gabor maar pleiten voor extra hectares uit de nationale reservepot, want die mogelijkheid wordt geboden. En waarom moet ze dat? Omdat juist hier, in de Krimpenerwaard, de kansen om de natuur te dienen voor het grijpen liggen. Geen 'schaamgroen', zoals we zo vaak zien, maar de verwezenlijking van een groot, zichzelf regulerend ecosysteem. Een ecosysteem waarin plaats is voor moerasbos, verlandingsvegetatie, half-natuurlijk grasland en extensief cultuurland. Met alle daarbij behorende plante- en diersoorten. We hebben aan de Oostvaardersplassen gezien hoe zoiets kan werken. En dat is geen toevallig voorbeeld. Qua omvang en potentie is de Krimpenerwaard daarmee vergelijkbaar, al is de startsituatie natuurlijk anders.''