De middenschool in het buitenland

In Engeland heet het 'comprehensive school', in Denemarken 'Folkeskole'. Duitsland kent de 'Gesamtschule' terwijl Frankrijk spreekt over het 'College d'Enseignement Secundaire'. In Nederland hebben we het over 'basisvorming'.

De vier buitenlandse voorbeelden bestaan al, de basisvorming is er nog niet. Als die er komt, zeggen de voorstanders, sluit het Nederlandse onderwijsbestel beter aan bij de scholen in onze buurlanden. Met het oog op de komst van 'Europa 1992' is dat niet onbelangrijk. De vier buitenlandse voorbeelden vertonen echter niet alleen onderling grote verschillen, ze zijn evenmin het evenbeeld van de onderwijshervorming die op dit moment in Nederland ter discussie staat. Ook na 1992 zal de scholier uit Almelo niet zomaar in Flensburg, Toulouse of Exeter terecht kunnen. Onderwijs blijft een nationaal cultuurgoed, ook als het basisvorming heet. Centraal idee achter de Nederlandse basisvorming is dat elke leerling in het voortgezet onderwijs zich een bepaalde hoeveelheid kennis en vaardigheden eigen maakt die minimaal nodig is om later goed in het maatschappelijk leven te kunnen functioneren. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in Nederland die de basisvorming in 1986 uitdacht, vond dat elke scholier daarvoor een gemeenschappelijk lesprogramma van voornamelijk cognitieve vakken moest doorlopen: Nederlands, Engels, Frans of Duits, geschiedenis en aardrijkskunde, economie, wiskunde, natuurkunde, scheikunde en biologie, beeldende vorming, techniek en informatiekunde, en gymnastiek. Om de inhoud van deze vakken zoveel mogelijk voor iedereen gelijk te maken wordt hun inhoud centraal omschreven in zogeheten eindtermen. Elke scholier moet volgens de voorstellen die deze week in de Tweede Kamer worden besproken, aan het eind van de basisvorming een toets afleggen die op die eindtermen is gebaseerd. Omdat er altijd wel vakken zijn die scholen graag willen geven, maar die niet in het rijtje van de WRR staan - denk aan Latijn of godsdienst - zou twintig procent van het lesrooster hiervoor vrij gehouden moeten worden, de zogeheten vrije ruimte.

Denemarken Het plan doet denken aan het programma van de Deense 'Folkeskole'. Die wordt bezocht door alle leerlingen van zes tot en met zestien jaar. Veel van de tien vakken die vanaf het twaalfde jaar verplicht zijn voorgeschreven doen aan de Nederlandse denken, enkele ook niet. Zo zijn biologie en de creatieve vakken facultatief, maar (Lutherse) godsdienstlessen, maatschappijleer en Duits verplicht. Techniek, informatiekunde en economie staan niet op het rooster. De laatste twee jaar is in Denemarken ruwweg een kwart van de schooltijd vrijgemaakt voor keuzevakken. Per regio kan dat varieren omdat de plaatselijke schoolbesturen veel te zeggen hebben over de inhoud van het onderwijs. Bovendien heeft een uurtje meer of minder voor een vak minder grote gevolgen voor de uiteindelijke leerresultaten in het Deense voortgezet onderwijs dan in Nederland. Aan het begin van de 'Folkeskole' heeft de Deense leerling namelijk vaak al meer geleerd dan zijn Nederlandse leeftijdsgenoot op de basisschool. Waar in Nederland algemeen opgeleide pedagogen voor de kleuterklas staan, geven in de ons omringende landen gespecialiseerde 'vakleerkrachten' les in rekenen, lezen, geschiedenis of andere vakken. Een belangrijk verschil met de Nederlandse basisvorming is verder dat de 'Folkeskole' geen onderwijsprogramma is maar een schooltype dat door alle Deense leerlingen tot 16 jaar wordt bezocht. Bij ons zal het leerprogramma van de basisvorming in de diverse categorale schooltypen worden aangeboden (LBO, MAVO, HAVO, VWO) en kan door veel leerlingen al op hun veertiende worden afgerond. Dat maakt dat de Deense 'Folkeskole' veel gemeenschappelijker onderwijs biedt dan in Nederland ooit het geval zal zijn. Hier zullen naar verwachting vanaf het twaalfde of dertiende jaar al allerlei niveau-verschillen in de basisvorming ontstaan. De studie-keuze wordt daardoor verder uitgesteld dan in Nederland, een belangrijk argument in de discussie over basisvorming. Groot Brittannie

Is de Nederlandse basisvorming slechts een sterk afgezwakte versie van de Deense, de overeenkomst met Groot-Brittannie is groter. Na een eveneens lange en tumultueuze discussie is aan de andere kant van de Noordzee in 1989 besloten om een soort basisvorming in te voeren. Deze moet in 1995 op alle, voornamelijk 'comprehensive schools', zijn doorgevoerd. Alleen de vijf procent particuliere instellingen waar de elite haar kinderen heen stuurt zoals die van Eton, doet niet mee. 'The national curriculum 5-16' moet alle leerlingen van vijf tot zestien jaar een bepaalde hoeveelheid basiskennis bijbrengen. Het Engelse basiscurriculum gaat ongeveer zeventig procent van de lestijd (de Nederlandse basisvorming tachtig procent) beslaan. Het behelst de vakken Engels, wiskunde, 'sciences' (natuurkunde, scheikunde, biologie) geschiedenis, aardrijkskunde, techniek, muziek, kunst, lichamelijke oefening, en een moderne vreemde taal. Het Engelse programma is nauwelijks gemeenschappelijk te noemen. Het is sterk afhankelijk van de manier waarop de 'comprehensive schools' altijd gewend zijn geweest hun onderwijs in te richten. Dat het kerncurriculum bedoeld zou zijn om de selectiviteit van het Britse onderwijs te verminderen is al evenzeer een misverstand. Het moet eerder de greep van de centrale overheid op het onderwijs versterken. Verder zijn de talrijke tussentijdse tests op 7-, 11-, 14- en 16-jarige leeftijd juist bedoeld om de creme de la creme te selecteren voor de betere posities in de Britse maatschappij. In Nederland mag de toetsing van de basisvorming juist zo min mogelijk op een test gaan lijken. Frankrijk In Frankrijk was het de centrum-rechtse regering van Valerie Giscard d'Estaing die in 1975 het 'College d' enseignement secundair' (CES), ofwel het 'College unique', invoerde. De soort middenschool is er voor alle leerlingen tussen twaalf en zestien en biedt in de eerste twee jaren een vakkenpakket dat weinig natuurwetenschappen en techniek bevat en veel talen, klassieken en geschiedenis. Dit betekent in de praktijk zo'n zware selectie dat al na het tweede jaar minstens eenderde van de kinderen afvalt en overgaat naar het beroepsonderwijs. Het gemeenschappelijk programma is dan ook niet bedoeld om kinderen met uiteenlopende capaciteiten zoveel mogelijk bij elkaar te houden. Het moet hoogstens het Franse eenheidsgevoel versterken.

Duitsland

Het Duitse schoolsysteem tenslotte heeft nog het meeste weg van het huidige Nederlandse stelsel. De 'Gesamtschule' is net als de Nederlandse middenschool slechts een van de vele schooltypen in het voortgezet onderwijs zoals de 'Realschule', de 'Hauptschule' en het 'Gymnasium'. En net als in Nederland floreren ze het meest in gebieden waar sociaal-democraten aan de macht zijn. Waar de Nederlandse middenschool, en in mindere mate ook de basisvorming nog probeert vaardigheden van het beroepsonderwijs in het gemeenschappelijk programma te integreren, ligt de nadruk van het programma van de 'Gesamtschule'vrijwel geheel op het verwerven van kennis. Uitstel van studiekeuze is op de meeste scholen een minder populair ideaal dan het aanleren van discipline, orde en vlijt.