De bloeiende kathedralen in de woestijn van Atjeh

BANDA ACEH, 6 JUNI. “Als we onafhankelijk zouden zijn, waren we nu rijker dan Brunei”, vertelt een hoog opgeleide Atjeher. Hij doelt vooral op het aardgas dat sinds de jaren zeventig wordt opgepompt uit een immens veld in Noord-Atjeh en waarvan de opbrengsten worden verdeeld tussen een buitenlandse oliemaatschappij en de regering in Jakarta. Rondom het aardgas ontstond een hoog technologische industrie, een hypermoderne enclave in een traditionele, agrarische omgeving.

Oude illusies en nieuwe frustraties vormen samen de voedingsbodem voor het hardnekkige Atjehse separatisme. Dat leeft niet alleen voort onder verstokte plattelands-notabelen, wier voorvaderen vielen in de strijd tegen de Nederlanders, maar steekt nu ook de kop op onder Atjehs jonge intelligentsia. De grote massa van de bevolking heeft hierover geen uitgesproken mening. Het gaat in Atjeh uiteindelijk om de gunst van deze zwijgende meerderheid. Om haar te winnen voor een betere toekomst in Indonesisch staatsverband, vecht Atjehs gouverneur, Ibrahim Hasan, een in Jakarta en de Verenigde Staten opgeleide econoom, de laatste jaren in Jakarta voor een groter part van de nationale koek - en niet zonder succes. Maar er moet nog een forse sociale kloof worden overbrugd. In de statistische handboeken die in Jakarta verschijnen, krijgt Atjeh een eervolle vermelding als een van de rijkste provincies van het land, een natuurlijke schatkamer vol aardgas, olie, steenkool en tropisch hout, vis in overvloed en een aanzienlijk rijstoverschot. Als slotakkoord van deze lofzang wordt het hoofdelijk inkomen van de Atjehers “het hoogste van het land” genoemd. Het officiele handboek Indonesia 1990 spreekt van 2.674.417 rupiah (2.500 gulden) in 1987. Dit cijfer is echter niet meer dan het bruto provinciaal produkt gedeeld door drie miljoen Atjehers en weerspiegelt zeker niet hun gemiddelde inkomen. Atjeh is rijk, maar zijn rijkdom wordt ongelijk verdeeld tussen de centrale en provinciale regering. In 1987 kwam zo'n 30 procent van Indonesies export van olie en aardgas uit Atjeh, hetgeen de centrale schatkist dat jaar 2,3 miljard dollar opleverde. In datzelfde jaar bedroeg Atjehs aandeel in de centrale middelen slechts 67 miljoen dollar. Meer dan twee derde van de Atjehers is werkzaam in de landbouw. Het jaarinkomen van de meest succesvolle rijstboeren in de kustvlakte van het noordoostelijke district Pidie bedraagt 1,2 miljoen rupiah (iets meer dan 1000 gulden).

Dat is nog niet de helft van het 'hoofdelijke inkomen' uit de handboeken. De rijstboeren van Noord-Atjeh, het district waar het aardgasveld Arun ligt, verdienen maar 700.000 rupiah per jaar. “Dat is ongeveer evenveel als de jaarlijkse onkosten-declaratie van de technici in het aardgas”, aldus een cynische waarnemer. In 1972 werd in Arun, even ten noorden van de districtshoofdplaats Lhokseumawe, aardgas gevonden. PT Arun, een joint venture van het Amerikaanse Mobil Oil en een Indonesisch staatsbedrijf, bouwde ter plaatse een gigantisch complex waar het gas vloeibaar wordt gemaakt, opgeslagen en verscheept. In de onmiddellijke omgeving van PT Arun verrezen twee grote kunstmestfabrieken, de PT Pupuk Iskandar Mudah (genoemd naar een roemruchte Atjehse sultan) en de PT Asean Aceh Fertilizer, allebei staatsbedrijven. Ten slotte werd even buiten Lhokseumawe de papierfabriek Kertas Kraft Aceh (KKA) neergezet, die in Centraal-Atjeh een concessie van 200.000 hectare verwierf voor de kap van naaldbomen.

Deze hypermoderne fabrieken staan er bij als kathedralen in de woestijn. Bij wijze van spreken, want aan regen is er geen gebrek. Wel aan goed drinkwater. Aan de lagune, onder de rook van PT Arun's vlammende reuzenpijpen, waarboven afvalgassen worden verbrand, staan schamele visserswoningen zonder vers drinkwater of elektriciteit. Atjeh heeft maar een middelbaar technische school (in Langsa, Oost-Atjeh) en een nog jonge ingenieursopleiding aan de universiteit in Banda Atjeh. Verreweg de meeste technici in Lhokseumawe's industriele enclave komen uit het buitenland of van het eiland Java, zij wonen in luxe getto's met een eigen elektriciteits- en drinkwatervoorziening en een fraai sportcomplex. Honger is er niet of nauwelijks in Atjeh, dat een groot deel van zijn landbouwprodukten elders afzet. De tussenhandel in agrarische produkten (rijst, sojabonen, pinda's, palmolie en koffie) is echter grotendeels in handen van Chinese kooplieden uit Medan, de hoofdstad van Noord-Sumatra. Belawan, de diepzeehaven van Medan, fungeert als exclusieve overslagplaats van Atjeh's in- en exporten. Bij gebrek aan kapitaal, adequate opleidingen en inheemse handelskanalen, wordt een belangrijk deel van Atjeh's economie beheerst door buitenstaanders. De frustraties die hiervan het gevolg zijn, vormen een voedingsbodem voor het onafhankelijkheidsideaal van de islamitische afscheidingsbeweging Aceh Merdeka (Vrij Atjeh). Ibrahim Hasan, de gouverneur van de provincie en zelf een Atjeher in hart en nieren, beseft dit terdege. Hij is benoemd door de centrale regering in Jakarta, maar geniet onder zijn mede-Atjehers een opmerkelijk groot gezag. De kustweg van Banda Atjeh naar Medan, Atjeh's belangrijkste verbinding met de buitenwereld, wordt in hoog tempo verbeterd. Grote stukken zijn verbreed en opnieuw geasfalteerd en enkele tientallen bruggen uit de Nederlandse tijd worden vernieuwd. Snellere verbindingen, redeneert Hasan, leveren uiteindelijk een betere prijs op voor het Atjehse produkt. Buitenlanders die al jaren in Banda Atjeh wonen, staan versteld van de snelheid waarmee de provinciehoofdstad van aanzien is veranderd.

Vroeger liep een deel van de stad minstens eenmaal per jaar onder met het modderige water uit de Krueng Atjeh, een rivier die vlakbij Banda in zee uitmondt. Met Japanse technische hulp investeerde Hasan zo'n 250 miljoen gulden in het temmen van de rivier middels betonnen oeverbeschoeiingen en een nieuw overloopkanaal dat een deel van het water rechtstreeks naar zee afvoert. In de stad werden bruggen vernieuwd en verrees een nieuw marktcentrum. In de landbouwdistricten langs de Straat van Malakka worden nieuwe irrigatiekanalen gegraven. Dat ging aanvankelijk op zijn Indonesisch: op bevel van hogerhand kwamen de graafmachines in beweging, zonder enig overleg met de plaatselijke bevolking. Het gebeurde nogal eens dat een nietsvermoedende boer een dragline op zijn sawah ontwaarde en met zijn kapmes de chauffeur te lijf ging. Westerse irrigatie-experts overtuigden het logge apparaat van Publieke Werken (PW) dat het zo niet ging. Geleidelijk aan treedt PW in overleg met de plaatselijke religieuze leiders. Die bemiddelen tussen de projectleiding en de boeren. Gouverneur Ibrahim Hasan is er zelf diep van doordrongen dat het streng islamitische Atjeh niet kan worden ontwikkeld zonder nauwe samenspraak met ulama's (schriftgeleerden). In een speciale kamer in zijn paleis voert hij regelmatig overleg met de religieuze leiders. Alleen een dergelijke coalitie van traditionele gezagsdragers en geschoolde plannenmakers kan de spiraal doorbreken van frustratie en geweld, waarin Atjeh al zo lang gevangen zit.