D'Ancona wordt te vroeg aan schandpaal genageld

Op 24 mei verblijdde Lien Heyting in deze krant de kunstwereld met een openbare klacht tegen minister d'Ancona. In een betoog dat qua felheid doet denken aan Zola's J'accuse, werpt zij zich op als de grote verdediger van de belangen van de kunsten. In niet mis te verstane bewoordingen wordt de minister beschuldigd van..., ja, van wat eigenlijk.

Als ik het goed begrijp, wordt de minister vooral beschuldigd van het feit dat zij de cultuurportefeuille heeft in een kabinet dat zichzelf ten doel heeft gesteld de overheidsfinancien te saneren. Meer is er bij mijn weten niet aan de hand. Concrete bezuinigingsplannen voor de kunsten zijn immers nog niet vastgesteld, laat staan aan de Tweede Kamer aangeboden. Terwijl de minister ongetwijfeld in een heftige strijd gewikkeld is met haar ambtgenoot van Financien - die om het er niet eenvoudiger op te maken ook nog haar partijleider is, wordt zij alvast publiekelijk aan de schandpaal genageld. Ook zonder kennis van de inzichten van Clausewitz of Schwarzkopf moge duidelijk zijn dat Heytings doel, namelijk zo min mogelijk bezuinigingen voor de kunsten, met zo'n actie niet gediend is. Bovendien valt tegelijkertijd ook het visieloze karakter van haar artikel op. Er mag niet op de kunsten bezuinigd worden, maar waarom dat niet mag, wordt gemakzuchtig afgedaan met het argument dat het veel schade berokkent en weinig oplevert. Uiteraard kan dit argument moeiteloos gebruikt worden in iedere andere sector die bedreigd wordt door bezuinigingen. Ook wordt niet gesproken over de rol van de kunsten in de samenleving, terwijl die samenleving wel geacht wordt voldoende middelen beschikbaar te stellen voor de kunsten. Het ontbreken van deze noties is des te schrijnender omdat K.L. Poll al twintig jaar geleden in deze krant pogingen heeft gedaan een samenhangende visie te ontwikkelen op de kunstpolitiek en het kunstbeleid met daaraan gekoppeld aanbevelingen voor concrete beleidsmaatregelen. Zijn stukken zijn gebundeld in het in 1972 uitgegeven boek De beklemde elite. Bij lezing nu valt direct op hoe weinig zijn opvattingen aan actualiteitswaarde hebben ingeboet. Een van de hoofdstukken draagt de titel Voor een afwezig publiek en behandelt de paradox dat stijgende subsidies voor kunstenaars gepaard gaan met dalende belangstelling voor hun werk. Het proces dat hiervoor verantwoordelijk is, beschrijft hij in het kort als volgt: De overheid stelt zich welwillend en royaal jegens de kunsten op omdat de meeste mensen in abstracto vinden dat kunst er moet zijn in een beschaafde samenleving. De overheid die zo ruim geldelijke middelen beschikbaar stelt dat in veel kunstdisciplines circa negentig procent van de totale inkomsten door haar geleverd wordt, heeft zichzelf tegelijkertijd het recht ontzegd om door kwaliteitsoordelen richting te geven aan die geldstromen. Reden daarvan is dat een uitspraak van een Nederlands staatsman uit de negentiende eeuw dat de overheid geen oordelaar van de kunst mag zijn, mythische proporties heeft aangenomen en tot taboe is verheven.

Artistieke selectie is door de minister gedelegeerd aan de Raad voor de Kunst, waar in vele anonieme commissies en werkgroepen vakbroeders en -zusters gezamenlijk bepalen wie er met de overheidsbuit gaat strijken. Het ligt voor de hand dat criteria van publieksbereik en maatschappelijke relevantie daarbij niet hoog scoren. Kunstenland wordt daardoor een vrijstaat waar de inwoners vrijwel onbeperkt hun eigen aandriften kunnen volgen. Dat lijkt mooi, is het misschien ook voor korte tijd, maar op de langere termijn moet ernstig gevreesd worden voor de levensvatbaarheid der kunsten. Immers kunstproduktie die zich niets aantrekt van publieksvoorkeuren, zingt zich snel los van de rest van de samenleving wier steun zij toch nodig heeft om te kunnen voortbestaan. Het bewijs van deze stelling werd overigens geleverd in 1984 toen het Sociaal en Cultureel Planbureau enquete-resultaten publiceerde waaruit bleek dat driekwart van de Nederlandse bevolking bezuinigingen op de kunsten wenselijk achtte. Slechts defensie noteerde een fractie hoger. Bien etonner de se trouver ensemble. Tot zover, in mijn bewoordingen, het betoog van Poll dat ook nu nog op mijn volledige instemming kan rekenen.

Het aardige is dat minister d'Ancona een beleid voert, respectievelijk tracht te voeren dat zeer wel overeenkomt met Polls gedachtengoed. In een interview met deze krant heeft zij als hoofddoelstelling voor haar beleid aangekondigd: het verstevigen van het maatschappelijk draagvlak voor de kunsten door het vergroten van de publieksparticipatie. Een streven dat op de warme sympathie moet kunnen rekenen van een ieder die de kunsten een goed hart toedraagt, aangezien de eerste kunstenaar zich nog moet melden die oprecht ongevoelig is voor gebrek aan publieke belangstelling voor zijn werk. De beleidsideeen die de minister in het kader van deze doelstelling heeft overwogen, verdienen een meer serieuze behandeling dan de kwalificaties 'bezopen' en 'ondoordacht' die Lien Heyting er op meent te moeten plakken. De ideeen van de minister hadden in ieder geval op de enthousiaste steun van Poll kunnen rekenen. Het idee van de rijkskunstmeesters is door Heyting verregaand geridiculiseerd terwijl de gedachte erachter zeer legitiem is. Het feit immers dat de besluitvorming over kunstsubsidiering zich afspeelt in de anonimiteit van de commissies van de Raad voor de Kunst, waardoor niemand aanspreekbaar is over de uiteindelijke keuzes, wekt in toenemende mate wrevel en irritatie, niet het minst bij kunstenaars zelf. Bovendien getuigt het van politieke moed om het platgetreden adagium van Thorbecke in dat verband ter discussie te stellen en het besluitvormingsproces transparanter te willen maken.

Een benadering waarbij het begrippenkader waarmee gewerkt wordt, helder gedefinieerd wordt, het kwaliteitsconcept van waaruit gedacht wordt, goed omschreven wordt; het besluitvormingsproces inzichtelijk gemaakt wordt en tenslotte de verantwoordelijkheid voor de uiteindelijke keuzen, concreet wordt toegelicht, is in ieder geval een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. De normatieve component die per defenitie in ieder selectieproces aanwezig is, maar die in de kunstensector nu weggestopt, zit in de duistere spelonken van de Raad voor de Kunst, zal enorm aan helderheid winnen. Tevens zal de kwaliteitsdiscussie in de kunsten eindelijk eens in alle openheid in relatie tot het beleid gevoerd kunnen worden. Toegegeven, het voorstel tot aanstelling van rijkskunstmeesters bergt ook nadelen in zich, zoals een te grote dominantie van een stijl of opvatting binnen een discipline waardoor afwijkende initiatieven geen kans krijgen. Die nadelen zijn in de publieke discussie evenwel breed uitgemeten terwijl de goede elementen bij mijn weten nauwelijks aan bod zijn geweest. Het is te hopen dat de minister zich hierdoor niet zal laten weerhouden om verder te gaan op het pad dat moet leiden tot een beter besluitvormingsproces over kunstsubsidiering waarin wat mij betreft de kwaliteitscomponent een meer expliciete plaats krijgt.

Een tweede beleidsidee krijgt van Lien Heyting het predikaat 'ondoordacht' mee, hetgeen in dit geval meer over haar dan over het plan zegt. Allereerst is het geen plan van de minister maar van de Vereniging van Schouwburg en Concertgebouw Directies en heeft het vooral bekendheid gekregen onder de naam 'afnamefonds'. Het plan is voortgekomen uit een oprechte bezorgdheid over de dramatisch gedaalde publieke belangstelling voor het gesubsidieerde toneel. Het behelst een verschuiving van geldstromen binnen de podiumkunstensector om het tij te doen keren voordat de rekenmeesters van Financien in de magere belangstelling aanleiding zien de volksvertegenwoordiging voor te stellen de subsidies drastisch te verlagen. Dat dit geen kwestie is van spoken zien, blijkt wel uit de ook door Heyting geciteerde subsidiebijbel en uit de, naar verluidt, forse bezuinigingsbedragen die in de onderhandelingen tussen WVC en Financien van de laatste zijde worden ingebracht. In de filosofie van het afnamefonds wordt een poging gedaan de mentaliteit van de theatermakers zodanig te benvloeden dat zij meer overtuigd raken van de noodzaak publiek te interesseren voor hun activiteiten. In de huidige subsidiesystematiek kunnen zij het zich permitteren ongevoelig te zijn voor publiekscijfers omdat vrijwel het hele benodigde budget door de minister wordt overgemaakt. Iedere stimulans om succesvoorstellingen te maken en dat succes zoveel mogelijk maatschappelijk te laten renderen, ontbreekt aan dit systeem. Zo is het gebruik in de huidige verhoudingen dat een absolute succesproduktie na veertig voorstellingen van het repertoire wordt gehaald - dan is namelijk aan de subsidievoorwaarde voldaan - terwijl er nog ten minste veertig goed bezochte voorstellingen gespeeld kunnen worden. Andersom worden er ook van mislukte produkties plichtmatig veertig voorstellingen gespeeld, ook al is de zaalbezetting gemiddeld niet meer dan twintig procent.

De economie heeft een handig hulpmiddel om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Dat is het marktmechanisme. Het afnamefonds beoogt een vleugje marktmechanisme te introduceren door de schouwburgen een klein deel van het budget van de minister te geven zodat zij daarmee conform een marktsituatie voorstellingen kunnen kopen. Met de bedragen die hiermee gemoeid zijn, kunnen de toneelgezelschappen hun budgetten op het oude peil brengen. De zin van deze financiele U-bochtconstructie is dat op indirecte wijze de voorkeur van het publiek mede richting gaat geven aan theaterproduktionele activiteiten. Langs deze weg zou het Nederlandse toneel op organische wijze kunnen ontsnappen aan het prisoner's dilemma, zoals door Poll geschetst. Het behoeft dan ook geen enkele verwondering te wekken dat minister d'Ancona, die publieksparticipatie als hoofddoelstlling van beleid heeft geformuleerd, dit plan op het jaarcongres van de VSCD van vorig jaar als een serieuze beleidsoptie heeft aangemerkt. Betreurenswaardig is het evenwel dat er sindsdien niets mee gedaan is, misschien wel omdat restauratieve krachten zowel binnen als buiten de sector de gelegenheid hebben gekregen het plan te bezoedelen, met als gevolg dat de zo gevreesde rekenmeesters wel heel gemakkelijk het initiatief kunnen nemen. En nu we als kunstensector in de gevarenzone terecht dreigen te komen, getuigt het op zijn minst van een dubbele moraal om de minister eerst te frustreren in haar offensieve beleidsstrategieen om haar vervolgens te verwijten dat ze zo slecht bewapend ten strijde trekt tegen Financien. Met de minister kan ik naar aanleiding van Heytings artikel maar een conclusie trekken: Heer, behoed ons voor onze vrienden, onze vijanden kunnen we zelf wel aan.