Bonn of Berlijn, zelfs graaf en gravin zijn verdeeld

BONN, 6 JUNI. Er worden vuisten gebald aan de Rijn en aan de Spree. Radeloos zoekt de Duitse 'Body Politic' naar de oplossing van een nu nijpend probleem. De brievenrubrieken in de kranten staan er al maanden vol van. De bakker, de kapper en de kruidenier kennen alle argumenten in de ene of de andere richting.

Makelaars zeggen hun klanten nog even te wachten of nu juist heel erg op te schieten. Naarmate de geschatte uitkomst van het debat de afgelopen maanden wisselde verschenen en verdwenen hun verkoopborden voor huizen of lege percelen grond. Op een weiland naast de woning van uw correspondent is trouwens net weer zo'n bord geplaatst. De meeste politici zouden het keuzeprobleem graag ontlopen. Zij streven onder groeiende tijdsdruk wanhopig naar een compromis, naar plechtige consensus, in een kwestie die daarvoor principieel noch praktisch geschikt is. Wat trouwens niet wil zeggen dat er niet toch een onpraktische oplossing gekozen zal worden. Integendeel, zo'n oplossing wordt zelfs steeds waarschijnlijker. Inderdaad, het gaat hier om de vraag of Berlijn of Bonn politieke hoofdstad van het verenigde Duitsland moet worden of blijven. Dan wel of - bij wijze van een paradoxaal compromis dat de Frankfurter Allgemeine Zeitung al bij voorbaat en met recht als Trennung heeft omschreven - beide steden niet elk een beetje hoofdstad kunnen worden. Met, zeg, bijvoorbeeld de regering hier en het parlement daar. Een oplossing die zeker de luchtvaartmaatschappijen die op Berlijn vliegen zou bevallen. Beide steden een beetje zwanger, als het ware.

De Bondsdag heeft zichzelf opgedragen op 20 juni te beslissen, zijn 662 leden maken zich op voor de Grote Finale en de kolom parlementaire paniek is daardoor intussen al flink volgelopen. Achter de gesloten deuren van Bondsdagpresidente Rita Sussmuth (CDU) komen al dagenlang de zogenoemde Verfassungsorgane bijeen. Zoals bondspresident Richard von Weizsacker, die zich al onvoorwaardelijk voor Berlijn heeft uitgesproken. En kanselier Helmut Kohl (CDU), die na de regionale CDU-verkiezingsnederlaag in Rijnland-Palts (in april), “als eenvoudig lid van de Bondsdag” zijn keuze op termijn voor Berlijn liet horen. Voorts zijn bij dat beraad de president van het Duitse constitutionele hof en de huidige voorzitter van de Bondsraad (Hamburgs SPD-burgemeester Henning Voscherau) betrokken. En sinds kort ook de fractieleiders van de partijen in de Bondsdag, die overigens van hun fracties niet met een mond mogen spreken. De grote meningsverschillen lopen dwars door alle partijen en door de Duitse bevolking. Zij hebben vaak een voor de hand liggende lokale of regionale oorsprong, en dito belangen als basis. Soms splijt de kwestie zelfs het gezin van de politicus. Zo heeft FDP-voorzitter Otto graaf Lambsdorff zich voor Bonn uitgesproken omdat hij in zijn nabij Bonn gelegen kiesdistrict “volgende keer weer gekandideerd wil worden”. Alexandra gravin Lambsdorff verschijnt echter al weken met pasfoto in stellige advertenties als lid van een actiegroep die voor Berlijn werft.

Pag. 5: Debat over Berlijn muurvast Als het om de verhoudingen in de Bondsdag gaat, heeft de graaf thans een kleine voorsprong, maar ook niet meer dan een kleine. Dat is nu net wat ieder Bondsdaglid vreest: een bijna-patsituatie op 20 juni. Waarbij, oh schrikbeeld binnen een jaar na de Duitse eenwording, wellicht zelfs de zestien Oostduitse leden van de SED-erfgenaam PDS een nominaal beslissende rol zouden spelen. Het SPD-congres negeerde vorige week de nadrukkelijke wens van het partijbestuur om niet over dit vraagstuk te stemmen. Het gevolg was dat 203 congresleden voor en 202 tegen Bonn stemden. Vervolgens koos het congres voor een onherosch vervolg door de beslissing dan maar naar een referendum onder de Duitse bevolking te verwijzen.

Maar deze uitweg is geblokkeerd, want voor de daarvoor noodzakelijke (en vertragende) wijziging van de grondwet voelen de regeringspartijen in Bonn niets. Begin deze week kwam het bestuur van de Beierse CSU op de valreep met een verrassing. Uit het partijhoofdkwartier in Munchen, waar wegens een groot gebrek aan liefde voor de protestants-pruisische metropool Berlijn tot nu toe steeds voor Bonn als hoofdstad was geopteerd, klonk ineens een geclausuleerde voorkeursverklaring voor Berlijn. Een verklaring trouwens die voor partijchef Theo Waigel, die dadelijk als minister van financien in Bonn de rekening zou moeten helpen betalen, ook een nederlaagje in eigen kring weergaf. De discussie verloopt onzachtzinnig. Steeds nieuwe gruwelijke scenario's doen de ronde over wat de ene of de andere stad financieel en anderszins te vrezen heeft als de keuze over twee weken verkeerd zou worden gemaakt. Voorstanders van Berlijn verwijten andersdenkende parlementariers of ambtenaren dat zij in Bonn willen blijven omdat zij daar een huis met een tuin of een discreet pied a terre voor hun vriend of vriendin hebben. Deze voorstanders vinden dat juist Berlijn, de stad die bijna dertig jaar door een Muur werd gedeeld, die het Oost-Westconflict op zijn haarlijn overleefde, nu als politieke, economische en psychologische Drehscheibe tussen Oost- en West-Europa de logische keus zou moeten zijn. Oost-Europa is immers op weg om aansluiting te vinden bij het democratische West-Europa, is de redenering.

Bovendien, vinden zij, is Berlijn, nu het sinds de Duitse eenwording niet meer als politiek en geografisch gesoleerde stad wordt gesubsidieerd, ook om harde economische redenen gerechtigd om politieke hoofdstad te zijn. En daarmee ook de stad waar grote bedrijven en lobbies hun hoofdkwartieren vestigen, de media verschijnen en afgeleide werkgelegenheid ontstaat. Een keuze voor Berlijn zou een blijk van solidariteit met de bevolking van de vroegere DDR zijn, zeggen deze voorstanders. Zij herinneren er, begrijpelijk genoeg, ook aan dat Berlijn al ruim veertig jaar grondwettelijk als hoofdstad van (het verenigde) Duitsland is aangemerkt. En dat Bonns burgemeester Daniels (CDU) twee jaar geleden, toen een omwenteling in de DDR en een snelle Duitse eenwording nog ondenkbaar leken, zijn bezoeker Gorbatsjov nog verzekerde dat hij natuurlijk niet in de echte Duitse hoofdstad op bezoek was. In Bonn, en in de meeste Westduitse deelstaten, wordt de keuze voor de “kleine stad aan de Rijn” daarentegen bepleit met een verwijzing naar de onmiskenbaar geslaagde federale structuur van de Bondsrepubliek.

Bonn en zijn omgeving zouden doodbloeden als regering en parlement er verdwijnen, terwijl Berlijn als politieke hoofdstad een onbetaalbaar, gevaarlijk centralistisch waterhoofd zou worden a raison van tachtig tot honderd miljard mark meerkosten, zo heet het. Berlijn was ook twaalf jaar ('33-'45) de hoofdstad van het duizendjarige rijk van A. Hitler en nadien de centrale van de gehate DDR-staatsveiligheidsdienst (Stasi), heet het in het debat ook achter de Rijnlandse hand. En trouwens, als Oost-Europa inderdaad naar het Westen wil komen, dan kan de hoofdstad van het in de NAVO en de Europese Gemeenschap gentegreerde Duitsland beter Bonn dan Berlijn heten. Het politieke debat over de Duitse hoofdstadvraag kan al haast niet meer goed aflopen. Het zal dadelijk waarschijnlijk eindigen in een compromis dat meer zegt over de angst van het gemiddelde Bondsdag-lid voor een heldere keuze dan voor de kwaliteit van Bonn of Berlijn als politieke hoofdstad van het verenigde Duitsland. In dat opzicht blijven de politici in de vergrote Bondsrepubliek de kenmerken van gisteren (we beslissen wel, maar gezien de voorlopige status van ons land eigenlijk toch niet zo erg) behouden. De laatste, misschien nu wel kansrijkste compromis-voorstellen kwamen begin deze week van Hamburgs burgemeester Voscherau en het CSU-bestuur. Hoofdlijn: regering en parlement blijven in Bonn, de bondspresident, het ministerie van buitenlandse zaken en de buitenlandse ambassades, eventueel ook de Bondsraad, gaan naar Berlijn. Kortom: het bestuurlijke en politieke verhuisbedrijf in Duitsland gaat waarschijnlijk grote dagen tegemoet. Het liedje - “Ich hab' noch einen Koffer in Berlin” - krijgt dan een nieuwe tekst: “Wir haben unsere Koffer in Berlin und Bonn.” Wie dat wil kan alvast wedden dat het geen tophit wordt.

Nu de cirkel rond is bij speurtocht naar uitmuntendheid wordt duidelijk dat de topfunctionaris die betrokken is bij de jacht op deze moeilijk grijpbare kwaliteit een soort koorddanser moet zijn. Het zal niet eenvoudig zijn om aan al deze verschillende eisen van de evenwichtssport te voldoen, zelfs als hij zijn hoogtevrees kan overwinnen. Maar kijk eens naar het alternatief. Wie wil er nu vrijwillig naar het bedrijfskerkhof gaan? Degenen die op zoek zijn naar uitmuntendheid moeten altijd voor ogen houden dat als zij hun bedrijf niet voortstuwen, zij eruit worden gezet. Tenslotte zijn de twee moeilijkst te hanteren zaken in het leven mislukking en succes.