Binnenrijden op de begane grond

Gisteravond hield de kunsthistoricus Ernie J. Mellegers in de HAL in Rotterdam een lezing over de invloed van vervoermiddelen op moderne bouwkunst. Bekend is dat de stoomboot model heeft gestaan voor de galerijflat en dat ook het vliegtuig een inspiratiebron voor architecten is geweest. De rol van de auto is echter tot dusverre onderbelicht.

Na de eeuwwisseling raakten veel architecten in de ban van het 'prefab-principe', zoals dat in de auto-industrie werd toegepast. De lopende band van de Fordfabriek was het grote voorbeeld. Ford had zijn fabriek geent op de denkbeelden van de Amerikaanse ingenieur Frederick Winslow Taylor, de bedenker van het 'scientific management', die een zo efficient mogelijke vorm van massaproductie voorstond. Vooral de Franse architect Le Corbusier (1887-1965) bestudeerde het Taylorisme en legde zich toe op het ontwerpen van geprefabriceerde woningen. Ook de vliegtuigfabrikant Gabriel Voisin, die later auto's ging bouwen, probeerde eerst door te breken met geprefabriceerde woningen. Le Corbusiers nu deels vervallen, deels gerestaureerde wijk Pessac in Bordeaux heeft alle trekken van de auto-industrie. De stenen wanden worden in het lood gehouden door een metalen chassis, zoals dat in auto's zit. Voor het gemeente-bestuur van Bordeaux was de wijk overigens een gruwel. Het weigerde er ook enkele jaren water en electriciteit aan te sluiten. Sterker nog is de invloed van de auto in Le Corbusiers ontwerp Maison Citrohan (“Pour ne pas dire Citroen. Autrement dit, une maison comme une auto.”). Hij schetste het huis voor Andre Citroen hoopte dat de fabriek 'maisons en series' zou gaan maken. De gelijkenis tussen het type A 10 hp van Citroen en het huis is meer dan treffend.

Van produktie is het echter nooit gekomen. De invloed van de auto op de architectuur bleef niet beperkt tot de vormverwantschap. Le Corbusier was geobsedeerd door de automobiel. Zijn Villa Savoye in Poissy is er helemaal op ingericht. Op de begane vloer komt de bewoner aan de zijkant tussen pilaren ('pilotis') binnenrijden, neemt dan aan de lange zijde de bocht naar links en stapt uit bij de 'voordeur'. De U-bocht loopt door en komt aan de andere lange zijde van het huis uit, waar drie parkeerplaatsen in het huis zijn uitgespaard. De uitgang is richting Parijs. Zo scheidde Le Corbusier, volgens Mellegers, in een huis het dynamische van het a-dynamische. Met andere woorden: de begane grond stond in het teken van vervoer, daarboven werd gewoond. De grootte van de bocht was bepalend voor de maten van het huis, die weer was ontleend aan de draaicirkel van zijn Voisin. In elk huis dat van de tekentafel van Le Corbusier kwam had de auto een plaats. Elk arbeidershuisje ('maisons minimums') kreeg een garage, omdat hij er van overtuigd was dat op den duur niemand een auto kon ontberen. Le Corbusier hield er een Spartaanse levenswijze op na. Omdat hijzelf elke ochtend jogde bouwde hij een atletiekbaan op het dak van de 'Unite d'Habitation' in Marseille - een gigantisch flatgebouw. Hij was daartoe genspireerd door de testbaan op het dak van de Fiatfabriek Lingotto in Turijn. Le Corbusier liet zich ook verleiden tot het ontwerpen van auto's. In 1928 schiep hij een prototype voor een 'voiture minimum'. Het was een klein, bescheiden wagentje van gegolfd metaal. Hij maakte het ontwerp voor Voisin, nadat het door Fiat was afgewezen. Het model kwam in 1934 gereed en ontlokte geen reactie. Mellegers durft achteraf te stellen dat dit ontwerp, de Voiture Maximum van Le Corbusier, de 'moeder van de Lelijke Eend' was.

Niet alleen de metalen buisstoelen, die duidelijk uit Le Corbusiers atelier komen zouden het bewijs vormen. Het hele concept maakt het duidelijk. Vooral de ronde vorm waarin de zijportieren zijn gevangen karakteriseert zijn ontwerp en later de 2CV. In de Lelijke Eend zijn bovendien de belangrijkste waarden van de moderne architectuur verwerkt: 'licht en lucht'. Voisin ging failliet en de beroemde ingenieur Lefebvre vertrok naar Citroen. De Amerikaanse architect Richard Buckminister Fuller was in de jaren dertig zijn generatie ook ver vooruit. Hij had een 'prefabhuis' ontworpen dat gemakkelijk per helicopter in de wildernis kon worden neergezet. Het enige probleem was hoe er te komen.

Hij schiep daarom de 'Dymaxion', een onooglijke auto in de vorm van een aubergine, waarmee tevens gevlogen en gevaren zou kunnen worden. Ook in de stad had deze kobolt zijn voordelen. Doordat hij maar een achterwiel had kon hij haaks insteken. Ook Frank Lloyd Wright zette zich aan het tekenen van auto's. Bekend is een mastodont van zijn hand waarbij de chauffeur tussen twee tractorwielen zit, die weer zodanig zijn opengewerkt dat er toch zij-uitzicht is. De ontwerpen getuigen echter niet van veel realiteitszin en voor zover ze wel op een echte auto lijken, geven ze meer de indruk van een paar probeersels uit de jaren twintig. Of auto-ontwerpers op hun beurt veel hebben geleerd van wat de architectuur te bieden had is minder duidelijk. Wie wel erkenning kreeg uit die hoek was -opnieuw- Le Corbusier. In een door Mellegers ontdekte brief van 26 december 1935 schreef de Amerikaan Gordon Buehrig hem aan.

“Als ontwerper van de nieuwe Cord 810 wil ik graag een artikel wijden aan het ontwerp. U zult verbaasd zijn dat u er zo'n grote invloed op heeft gehad.” De prestigiueze Cord 810, een typische, loodzware bullebak van Amerikaanse makelij vertoont merkwaardig genoeg veel van Le Corbusiers evangelie. De voor- en achterdeuren zijn spiegelbeeldig en dus efficient te produceren. De auto heeft ook voorwielaandrijving en het uiterlijk is voor zijn tijd uiterst sober. Ornamenten zijn verdwenen. Wat Le Corbusier had gewild, leek met het ontwerp van Buehrig te zijn bereikt.