Amerika, wat nu?

“De Koude Oorlog is voorbij en de Verenigde Staten hebben gewonnen. Wat moeten de Verenigde Staten nu, na hun 45-jarige gevecht met de Sovjet-Unie, doen met hun macht?” Twee constateringen en een vraag die in hun beknoptheid het dilemma schetsen van de eerste macht in de wereld die met zichzelf niet in het reine is over die toestand.

Hitler-Duitsland dat voor zichzelf een 'Weltmachtstellung' nastreefde en de revolutionairen naar leninistische snit zouden het wel hebben geweten. Het citaat is ontleend aan een artikel van Robert J. Art in het voorjaarsnummer van International Security. Om een antwoord op de door hem gestelde vraag te vinden heeft Art een zwerftocht gemaakt door de geschiedenis van wat Amerika's 'grand strategy' wordt genoemd. Pas gedurende de Tweede Wereldoorlog werd het land geconfronteerd met twee hegemonistische mogendheden die de uiteinden van het Euro-Aziatische continent beheersten en die beide posities innamen tegenover de VS. Art noemt dit de “uiterste geopolitieke nachtmerrie”. Maar vervolgens distantieert hij zich van de destijds geldende notie dat Amerika in een wurggreep dreigde te worden genomen. Duitsland bijvoorbeeld hield het uit ondanks een blokkade van bijna vijf jaar, jarenlange strategische bombardementen en een reusachtige krachtsinspanning aan zijn Oostfront.

De VS zouden een blokkade waarschijnlijk voor onbepaalde tijd hebben kunnen overleven, is Arts conclusie. In de Koude Oorlog dreigde een ander gevaar, de nucleaire vernietiging, maar Amerika reageerde volgens Art alsof het opnieuw met het risico van economische wurging werd geconfronteerd. Amerika's offensieve nucleaire strijdkrachten, zijn omvangrijke marine, het gepantserde landleger in Centraal-Europa, de formidabele luchtmacht en het vermogen ieder moment overal ter wereld toe te slaan, ondersteunden de strategie van de uitgestrekte afschrikking, van de veiligheidsgaranties aan bondgenoten op andere continenten. Indien de VS de Sovjet-Unie hadden toegestaan Eurazie te beheersen, zouden zij volgens Art in veiligheid hebben kunnen leven; de levensstandaard was mogelijk lager geweest als gevolg van de vermindering van de handel met Europa en Japan. Isolationisme zou een prijs hebben gevraagd, maar een betaalbare. Het gevaar van de kant van de Sovjet-Unie voor de bondgenoten is met de beeindiging van de Koude Oorlog aanzienlijk verminderd. Maar het tegengaan van de spreiding van kernwapens over meer landen is volgens Art toch wel een reden voor handhaving van een zekere Amerikaanse militaire aanwezigheid op het grondgebied van bevriende mogendheden. Het is hem opgevallen dat juist een partner als Israel dat geen Amerikaanse troepen huisvest, naar nucleaire wapens heeft omgezien. De gaullistische definitie van nationale veiligheid is praktisch tegengesteld aan Arts wijze van zien: mogelijk dat de auteur daarom het Franse (en Britse) kernwapen als een niet ter discussie staand gegeven aanvaardt. Een tweede winstpunt van Amerika's militaire aanwezigheid in de wereld ziet Art in de economische interdependentie die buiten het Sovjet-blok en China kon ontstaan. Markten bestaan niet in een politiek vacuum, citeert hij, en functioneren het best in een politiek raam dat voorspelbaarheid garandeert. Die uitspraak zegt tegelijkertijd iets over de relatie tussen veiligheid, zekerheid en economische ontplooiing in Oost-Europa en zelfs in de Sovjet-Unie zelf. Art concludeert dat een voortgezette Amerikaanse militaire presentie goed is voor bevordering en handhaving van de interdependentie in de gendustrialiseerde wereld. Walesa en Havel hebben hem indirect al gelijk gegeven. Art voert nog twee redenen aan voor handhaving van Amerikaanse troepen overzee: verbreiding van de democratie en het opleggen van vrede. Maar hij meent dat de VS hier zeer terughoudend moeten zijn. De democratie is volgens hem het best gediend met het dwarsbomen van agressors, met bevordering van de economische ontwikkeling en met het ontstaan van een middenklasse in de landen in ontwikkeling. De VS moeten afzien van steeds weer nieuwe interventies in andere landen. Ingrijpen om massale moordpartijen te onderbreken mag als een op zichzelf staand fenomeen worden beschouwd, meent Art. In die categorie kunnen volgens hem de interventies van Kenia tegen Idi Amin en van Vietnam tegen Pol Pot worden opgenomen. In de Golfoorlog met Irak ziet Art niet een veelbelovend precedent voor operaties onder auspicien van de Verenigde Naties. De olievoorraden in de regio, de kwetsbaarheid van Irak voor een economische blokkade en de verreikende ambities van Saddam Hussein zouden een samenloop van omstandigheden hebben geschapen die zich niet spoedig opnieuw zou voordoen. Indien de VS niet zullen opteren voor de rol van wereldpolitieman, zal de selectie van gebieden waar wel wordt opgetreden van essentiele betekenis zijn. Art meent dat de VS hun militaire inspanningen zullen moeten concentreren op Europa, het Verre- en het Midden-Oosten, maar alleen in het geval de grote mogendheden in het geding zijn. Een conflict tussen Hongarije en Roemenie zou niet een Amerikaans belang raken, maar tussen de Korea's om historische redenen en bij wijze van uitzondering op de regel weer wel. Waarschijnlijk springt Art hier toch iets te nonchalant over een paar valkuilen heen. Een gewapend conflict in Oost-Europa - tussen twee landen of binnen een land - zal West-Europa niet ongemoeid laten. Viriele geesten in het westelijke deel van het continent hadden in die optie al voorbarig een soeverein Europees belang onderkend en een eventuele rechtvaardiging van een onafhankelijk Europees militair optreden. Het is juist de mogelijkheid van dergelijk Europees avonturisme die binnen de Amerikaanse regering bezorgdheid heeft gewekt. Van die kant is dan ook te verstaan gegeven dat van een Europese militaire 'Alleingang' in Europa (denk aan WEU en EG) geen sprake kan zijn. De vorige week bekend gemaakte nieuwe organisatie van de NAVO maakt zoiets bovendien praktisch onmogelijk. Al met al beantwoordt Art zijn eigen vraag nogal terughoudend. De auteur is er niet van overtuigd dat er een Amerikaans levensbelang op het spel staat of eerder in deze eeuw op het spel heeft gestaan, een intrigerende relativering van de recente geschiedenis. De tijd van Pearl Harbor, de 'red scare', het Spoetniktrauma, de Muur, de Cuba-crisis en Vietnam ligt ver achter ons. Maar voor een puur isolationisme is er kennelijk evenmin afzet. Amerika heeft nu eenmaal zijn positie van grote mogendheid, heeft zijn verplichtingen, plukt zijn vruchten, ook wrange, van de financieel-economische vervlechting waaraan het zelf zoveel heeft bijgedragen. Een succes als tegen Saddam Hussein is welkom, maar verwikkeling in een dergelijke crisis moet een uitzondering blijven. Want Amerika heeft eigenlijk aan zichzelf genoeg.