'Vervuilde bodems bij bedrijven hoeven niet altijd schoongemaakt'; Nederland telt 200.000 'verdachte' bedrijfsterreinen

DEN HAAG, 5 JUNI. Vervuilde bedrijfsterreinen hoeven niet in alle gevallen te worden schoongemaakt. Als de kosten van zo'n operatie te hoog worden, mag het bedrijf volstaan met maatregelen waarbij de verontreinigde grond wordt gesoleerd.

Dat stelt de Commissie-Oele in haar eindrapport dat gisteren aan minister Alders (milieu) is aangeboden. Deze commissie heeft de afgelopen twee jaar de mogelijkheden onderzocht bedrijven de vervuiling van hun bodem zelf te laten aanpakken en heeft zich beraden op de regels die daarbij moeten gelden. In de commissie, onder voorzitterschap van de voormalige commissaris van de koningin in Drenthe, was het bedrijfsleven vertegenwoordigd, alsmede enkele departementen, de provincies en de gemeenten.

Ir. A.P. Oele onderstreepte gisteren dat volledige schoonmaak van de vervuilde bedrijfsterreinen uitgangspunt blijft. Daarmee voldoet de grond later aan de eis dat ze voor alle vormen van gebruik weer geschikt is. Maar er kunnen zich volgens de commissie omstandigheden voordoen dat herstel van deze 'multifunctionaliteit' niet mogelijk of zinvol is. Dat geldt vooral als de kosten van de schoonmaak onevenredig groot zijn. De commissie heeft daarvoor verhoudingsfactoren als criteria opgesteld. Als het saneren van vervuilde grond 100 miljoen gulden zou kosten en het isoleren ervan minder dan 66 miljoen mag het bedrijf met die laatste maatregel volstaan. Kost de schoonmaakoperatie bijvoorbeeld 100.000 gulden en het isoleren minder dan 20.000, dan geldt hetzelfde. Het isoleren kan een definitieve keuze zijn of een tijdelijke maatregel in afwachting van een gefaseerde aanpak die later tot een totale schoonmaak leidt.

De provincies, waaraan bij de bodemsanering in Nederland een centrale rol is toegekend, moeten uiteindelijk beoordelen of het bedrijf de juiste keuze doet.

Oele wees erop dat de overheid voor de vervuilde bodem waarvoor zij verantwoordelijk is, vaak voor dezelfde keuze staat. Niettemin reageerde de actiegroep Nederland Gifvrij, een samenwerkingsverband van milieu-organisaties, gisteren boos op de aanbevelingen van de commissie. Isolatie is volgens Nederland Gifvrij “een halfslachtige maatregel”. De commissie heeft deze concessie volgens de actiegroep gedaan in ruil voor vrijwillige medewerking van het bedrijfsleven. De commissie zelf stelt dat er sprake is van een “werkbaar compromis”.

Volgens globale schattingen telt Nederland 200.000 van vervuiling 'verdachte' bedrijfsterreinen. Verwacht wordt dat uiteindelijk bij 50.000 tot 65.000 terreinen saneringsmaatregelen nodig zullen zijn.

Deze operatie zal zo'n 40 jaar duren en kost een nog onbekend aantal miljarden guldens. In de periode 1992-1996 moeten volgens de commissie 30.000 bedrijfsterreinen, waarvan de vervuiling het ernstigst lijkt, worden onderzocht. Zij verwacht dan een idee te krijgen van 80 procent van de totale kosten. Die kosten zijn in principe voor de bedrijven, maar wanneer zij kunnen aantonen de vervuiling niet te hebben veroorzaakt, kunnen ze een beroep doen op de overheid. De commissie vindt verder dat de overheid de bedrijven via kredietregelingen en fiscale maatregelen tegemoet moet komen om de sanering te bevorderen.

Het kabinet moet zijn standpunt over de aanpak van de vervuilde bedrijfsterreinen nog bepalen, maar uit Alders' reactie viel op te maken dat het niet veel van de aanbevelingen van de commissie zal afwijken.