Un re in ascolto in Holland Festival; Opera van Berio maakt concertzaal tot muziektheater

Voorstelling: Un re in ascolto van Luciano Berio door het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Koor van het Rotterdams Conservatorium o.l.v. Stephen Harrap. Met: Donald McIntyre, Peter Kazaras, Graham Valantine, Kathryn Harries, Csilla Zentai, Rebecca Littig, Christina Hagen, e.a. Libretto: Italo Calvino en Luciano Berio; Lichtontwerp: Reinier Tweebeeke; Regie: Franco Ripa di Meana.

Gehoord: 4-6 Concertgebouw Amsterdam.

De orkestbak is volgens Luciano Berio het eerste dat zal sneuvelen, op de lange en moeizame weg van de 'lyrische' opera naar het moderne muziektheater. Want de bak heeft, aldus de Italiaanse componist 'een verlammende werking op de akoestische relaties tussen de verschillende muzikale partijen.' Gisteravond bij de Nederlandse premiere van Berio's opera Un re in ascolto (Een koning luistert, 1984) in het Amsterdamse Concertgebouw, was een orkestbak niet voor handen en kon Berio's uitspraak dus op zijn waarde worden geschat. Hoewel - waarschijnlijk doelde de componist niet op een negentiende eeuwse concertzaal als alternatief voor een modern theater. Daarvoor zijn de mogelijkheden om een homogeen toneelbeeld op te bouwen en gebruik te maken van decors en belichting te beperkt. Niettemin wist Franco Ripa di Meana, die verantwoordelijk was voor het toneelbeeld, de indruk te wekken dat dit de vorm was die Berio voor ogen stond.

Vorig jaar begon dirigent John Eliot Gardiner in zijn Mozartopera's in het Holland Festival met een simpel vloertje tussen orkest en orgel.

Ripa di Meana toverde de hele Grote Zaal van het Concertgebouw om tot een muziektheater. Links en rechts van de dirigent waren kleine podia gebouwd, achter het orkest speelde zich een deel van de handeling af.

Er waren stoelen in de zaal vrij gehouden voor opkomende en afgaande musici en er werd zelfs vanaf de balkons geacteerd. Beter kon het complexe libretto, over de grenzen van theater en werkelijkheid, over de keerzijde van de geluiden achter de geluiden, over een stem verborgen tussen de stemmen, kortom over het luisteren, nauwelijks worden verbeeld.

Berio ontwierp het libretto samen met de schrijver Italo Calvino, die gefascineerd werd door een artikel van Roland Barthes en Roland Havas over het verschil tussen horen en luisteren. Om de proza-gedichten van Calvino tot een operalibretto om te vormen, veranderde Berio Calvino's stervende koning in een schouwburgdirecteur, 'een koning van het theater' (Prospero, naar de hoofdpersoon in The Tempest van Shakespeare), die zoekt naar de zin van zijn werk, terwijl zijn acteurs repeteren voor een uitvoering van The Tempest.

Geleidelijk blijken flarden van de 'realiteit' zich te vermengen met gebeurtenissen in de repetities en omgekeerd. De dokter, verpleegster en advocaat zijn acteurs tijdens de repetitie, maar later, als de echte koning op sterven ligt, blijken zij ineens dokter, verpleegster en advocaat te zijn. Tenslotte gebruikt Berio teksten van W.H. Auden die op hun beurt weer een kritisch commentaar leveren op The Tempest.

Dankzij deze bonte literaire verzameling was Berio is staat een veelkleurig muziektheater te schrijven, waarin hij overtuigend kon laten zien dat muzikale, en niet toneelmatige overwegingen de grondslag vormen voor een opera. Berio is, ondanks zijn belangstelling voor filosofie en literatuur, in de eerste plaats componist, iemand met liefde voor de tonen. Het lijkt wel alsof hij gedacht heeft: hoe veelzijdiger de visuele en literaire kanten van mijn opera, hoe meer ik word gedwongen eenheid te scheppen met behulp van de klank.

Dat is wat hij in Un re in ascolta heeft gedaan: in het orkest, vakkundig geleid door Stephen Harrap die de zieke Berio verving, met zijn subtiele klankkleuren en mooie solistische passages (stemmen verborgen tussen andere stemmen) en in de melodische eenheid in de verschillende rollen, die ieder een heel eigen karakter hebben. Op een bepaald moment zegt Prospero: “Mijn rijk is een onaantastbare uitgestrektheid, het is de brug over de rivier van muziek die voortsnelt, de zee van muziek wanneer ze zich losmaakt van de oevers, van de snaren die trillen, als ze terugkeert en doet trillen.” Daarom is deze semi-scenische uitvoering, met het orkest als de echte koning in het midden van de handeling, misschien wel de enig juiste.

Toch is het de vraag of de akoestische relaties van Berio zo het best tot hun recht komen. De totale kleur van orkest en zangers mengde niet altijd optimaal. Daarvoor miste Donald McIntyre (Prospero), hoe voortreffelijk hij ook acteerde, net voldoende geluid. Peter Kazaras (de Regisseur) acteerde wat onrustig (maar misschien is hij wel het spiegelbeeld van Franco Ripa di Meana, de 'echte' regisseur) maar had tenminste een krachtige stem. De enige die echt overtuigde was sopraan Kathryn Harries. La mia voce e mia, zong ze: mijn stem behoort mij toe.