Politieke Unie: tempel of boom; Structuur van de nieuwe Europese Gemeenschap moet eind deze maand bekend zijn

BRUSSEL, 5 JUNI. Hoe zal de Europese Politieke Unie er straks uitzien? Als een tempelfaade, met drie pilaren, bekroond door een hooghartig fronton? Of als een majesteitelijke eik, die zijn gretige takken steeds verder de hemel in stuwt?

Dat is de vraag die de deelnemers aan de intergouvernementele conferentie, de vertegenwoordigers van de twaalf lidstaten van de Europese Gemeenschap, de komende weken intensief zal bezighouden. Want tegen het eind van deze maand, wanneer het Luxemburgse voorzitterschap van de EG zal worden afgelost door het Nederlandse, zal duidelijk moeten zijn wat de structuur zal zijn van de nieuwe Europese Gemeenschap.

Die structuur moet vorm krijgen in de herziene en uitgebreide versie van het Verdrag van Rome, het fundament van de Europese Gemeenschap, dat overeenkomstig de beslissingen van de afgelopen jaren zal worden opgetuigd met een 'Economische en Monetaire Unie' (EMU) en een 'Politieke Unie' en waarin ook het buitenlandse en veiligheidsbeleid van de Twaalf een plaats krijgt. Het zal tegelijkertijd formules bevatten om de democratische controle van de communautair genomen beslissingen te versterken.

Tot dusver was die structuur voor het belangrijkste deel communautair van karakter, dat wil zeggen dat de Europese Commissie voorstellen deed, de ministerraad die goedkeurde na raadpleging van het Europees Parlement en dat daarna de nationale parlementen de eventueel geamendeerde voorstellen omzetten in nationale wetgeving. Daarnaast bestond de Europese Politieke Samenwerking, waarin de ministers van buitenlandse zaken in intergouvernementeel verband politieke standpunten innamen over zaken die buiten de bevoegdheid van de Europese Commissie lagen.

In het ontwerp-voorstel dat Luxemburg anderhalve maand geleden voor het nieuwe verdrag op tafel heeft gelegd wordt echter veel meer nadruk gelegd op intergouvernementele aspecten van de toekomstige Gemeenschap waar het gaat om het buitenlandse en veiligheidsbeleid, zozeer zelfs dat Commissievoorzitter Jacques Delors vreest dat men de kans loopt zich te “verwijderen van de fundamentele orientatie” van de EG. Die orientatie moet volgens Delors een Europese Unie zijn, die bereikt dient te worden in het kader van een unitaire structuur (die de Britse minister van buitenlandse zaken, Douglas Hurd, vergeleek met een 'boom'), en niet via een structuur (Hurd: zoals van een 'tempel') waarin de EMU, de EPU en intergouvernementele samenwerking op politieel en justitieel gebied “aparte pilaren” vormen onder het dak van de Europese Raad, de halfjaarlijkse bijeenkomst van regeringsleiders en het Franse staatshoofd.

In een brief die Delors eind vorige maand naar de Luxemburgse minister van buitenlandse zaken, Jacques Poos, heeft gestuurd herinnert de Commissievoorzitter eraan dat de Europese Raad van vorig jaar december in Rome is overeengekomen dat het de toekomstige taak van de Unie is “om in een gestaag en evolutionair proces en op uniforme wijze aspecten van het extern en veiligheidsbeleid te behandelen op basis van in het Verdrag vastgelegde algemene doelstellingen”.

Begin deze week, tijdens de informele bijeenkomst van de EG-ministers van buitenlandse zaken in Dresden, tekende het meningsverschil over de toekomstige structuur van de Gemeenschap - boom of tempel - zich haarscherp af tegen de horizon van de politieke discussie. Daar bleek dat Delors allerminst alleen staat in zijn vrees dat het Luxemburgse ontwerp een gevaarlijke afwijking betekent van het institutionele raamwerk zoals dat de afgelopen vier decennia in de EG heeft gefunctioneerd: zeker zeven lidstaten, inclusief de Bondsrepubliek, zijn het met hem eens, terwijl volgens Brusselse ingewijden zelfs de Fransen “niet echt tegenstanders” zijn van de door Delors bepleite unitaire structuur. Alleen het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, die zich altijd al huiverig hebben betoond tegenover een sterkere invloed van de communautaire instellingen, bleken fervente aanhangers van de 'tempel'-structuur.

Minister Poos, kennelijk geschrokken van de onverwachte steun die de kritiek van Delors bij andere lidstaten heeft gevonden, beloofde afgelopen maandag onmiddellijk dat hij gedeelten van het ontwerp op zodanige wijze zal herschrijven dat aan de bezwaren van de Europese Commissie en de lidstaten wordt tegemoetgekomen. Vermoedelijk zal hij dat doen door in de preambule van het nieuwe Verdrag de uiteindelijke unitaire roeping van de EG meer nadruk te geven.

Over een kleine twee weken, bij de formele Algemene Raad van de ministers van buitenlandse zaken op 17 juni in Luxemburg, zal blijken in hoeverre hij daarin is geslaagd. Van de mate waarin de ministers (en de Europese Commissie) dan tevreden zijn gesteld zal dan weer afhangen of de Europese Raad van 28 en 29 juni in Luxemburg kan worden besloten met een akkoord over de structuur die de politieke unie zal krijgen.

Nederland wacht het verloop van de discussie intussen met meer dan gewone belangstelling af. Tenslotte is het Nederland geweest dat vorig jaar in Rome gewezen heeft op de gevaren van een toekomstige structuur waarin het intergouvernementele overleg, zoals dat eens per half jaar gevoerd wordt in de Europese Raad, een te sterk accent zou krijgen. Nu blijken ook andere landen zich zorgen te maken over de mogelijkheid dat de Europese Raad, een orgaan dat niet onder democratische controle staat, een soort directorium gaat vormen waarin de grote landen het voor het zeggen hebben.

“Het schijnt me toe dat deze kwestie fundamenteel is voor de toekomst van de Europese Gemeenschap”, zo schreef Delors aan het eind van zijn brief aan Poos. “Het uur van de waarheid heeft dus geslagen...”