Opec legt zich neer bij wil grote landen

WENEN, 5 JUNI. Secretaris-generaal dr. Subroto van de Organisatie van Olie Exporterende landen moest gisteravond heel wat jaren in de geschiedenis teruggaan om een voorbeeld te vinden van de besluitvaardigheid die OPEC gisteren toonde.

In slechts een dag plenair vergaderen bereikten de olieministers de beslissing om hun gezamenlijke produktieniveau de volgende vier maanden constant te houden. Daarna zien we wel weer verder, want we weten nu nog niet wanneer de export van Koeweit en Iran weer goed op gang komt, was de redenering.

De kleinere produktielanden die zeer gebaat zouden zijn met een snel herstel van de olieprijs, slaagden er niet in een meerderheid voor produktieverlaging te winnen. 's Morgens had OPEC-voorzitter Sadek Boussena, de Algerijnse minister, bij de opening van de bijeenkomst nog een duidelijk signaal gegeven door direct af te treden.

Boussena die zelf een land met kleine oliereserves vertegenwoordigt, was er de afgelopen maanden ondanks intensief lobbyen niet in geslaagd de grote producenten binnen OPEC tot een flinke beperking te krijgen.

Zij geven de voorkeur aan een hoge omzet in plaats van een hoge prijs. Die verdeeldheid is er de oorzaak van dat OPEC niet meer, zoals in de jaren zeventig, de markt dicteert.

Boussena wist op de vorige ministersconferentie in maart een inkrimping van de oliestroom met vijf procent te bereiken. De grote broers binnen OPEC, met Saoedi-Arabie voorop, zagen gisteren niets in een verdere beperking omdat de vraag naar OPEC-olie de komende maanden het aanbod met een half miljoen vaten per dag zal overtreffen.

Boussena vindt dat het verschil groter moet worden omdat de Golfoorlog in het Westen heeft geleid tot hamstergedrag en grote voorraden. Ook hebben Saoedi-Arabie en Iran nog steeds tientallen tankers vol met onverkochte olie op zee drijven. De Algerijnse minister rekende zijn collega's gisteren voor dat ze 7 miljard dollar meer hadden kunnen verdienen bij minder produktie. Maar hij verloor de strijd en werd vervangen door dr. Clestino Armas, olieminister van Venezuela, een land dat openlijk het quotasysteem van OPEC heeft gekritiseerd.

Deskundigen in de oliehandel voorspellen dat het OPEC-besluit van gisteren weinig zal bijdragen tot het bereiken van de richtprijs van 21 dollar die gisteren in het communique van de ministerconferentie weer eens werd omarmd. Pas in de herfst, wanneer de vraag meer aantrekt, is prijsherstel te verwachten. Dat vooruitzicht kan echter vervagen als Koeweit en Irak tegen die tijd hun export weer op gang brengen.

OPEC houdt daarmee nu al rekening, zei dr. Subroto gisteravond. Maar de moeilijke beslissingen die dan nodig zijn om de quota van voor de Golfoorlog weer van stal te halen, schoof de conferentie voor zich uit. Alles blijft voorlopig bij het oude en daardoor hoefde de vergadering ook niet lang te duren.

Wel hebben de ministers zich blijkens hun communique flink bezorgd gemaakt dat de vraag naar olie negatief kan worden benvloed door het milieubeleid in de Westerse consumptielanden. Koolwaterstoffen zijn niet de enige vervuilers, zeggen de ministers. Een nieuwe heffing op brandstoffen beschouwen zij als een nieuwe aanslag op hun inkomsten.

Ze willen dan ook veel aandacht geven aan nieuwe technieken bij de raffinage om schonere en lichtere brandstoffen op de markt te brengen.

Meer en meer zullen de olielanden weer een beroep moeten doen op de eens zo verguisde oliemaatschappijen om de nodige investeringen in capaciteitsuitbreiding en milieubescherming te doen. De kapitaalbehoefte daarvoor in de komende vijf jaar beloopt nu volgens dr. Subroto meer dan 120 miljard dollar. De meeste olielanden kunnen die taak op basis van de huidige olieprijs niet aan.