Lek in belastingverdrag?

Twee keer belasting betalen vindt niemand aanvaardbaar. Toch dreigt dat gevaar voor ondernemers die in twee landen opereren of mensen die bij voorbeeld in Nederland wonen en in Belgie werken.

Onze wetgeving kent wat grove voorzieningen om het dubbel betalen van belasting te voorkomen. Om tot meer verfijnde regelingen te komen, worden belastingverdragen afgesloten. Die regelen tot in detail welk land over welk type inkomsten belasting mag heffen.

Een van onze fiscaal aantrekkelijke kanten voor buitenlandse ondernemingen is dat ons land een ongekend groot aantal belastingverdragen heeft gesloten. Die verdragen zijn allemaal verschillend, wat logisch is omdat ook de nationale belastingregimes onderling sterk verschillen. Zelfs de verdragen die wij met landen binnen de Europese Gemeenschap hebben afgesloten, zijn onderling afwijkend. Dat maakt de fiscale situatie voor internationaal opererende bedrijven wat ondoorzichtig, maar in dat troebele water blijkt men heel goed te kunnen vissen.

Het vissen naar belastingvoordeeltjes hoort tot het werk van de internationaal opererende belastingadviseurs. Het is lastig werk, maar wie het goed beheerst, verdient voor zijn klanten miljoenen guldens en dat rechtvaardigt declaraties die het uurtarief van een medische specialist vele malen te boven gaan. De situatie ligt fiscaal technisch vaak zo complex dat buitenstaanders er geen touw aan kunnen vastknopen. Een enkele keer breekt er een straaltje zonneschijn door die mist en valt er een vrij simpel geval te belichten. Die kans doet zich nu voor.

Het gaat om de interpretatie van het in 1971 gesloten belastingverdrag tussen Nederland en Belgie. Dat verdrag bevat een bepaling die de Belgische fiscus de bevoegdheid geeft belasting te heffen over in dat land behaalde ondernemingswinsten. De Nederlandse fiscus moet die bedragen ongemoeid laten, ook al zou de winst zijn gemaakt door een hier wonende Nederlander.

Toen in 1971 het nu geldende belastingverdrag tussen beide landen werd afgesloten, betitelde de Belgische belastingwet het inkomen van de werkend vennoot (directeur) van een Belgische personenvennootschap (P.V.B.A. wat wij een vennootschap onder firma zouden noemen) als ondernemingswinst. In 1976 ging men over op een andere systematiek en gingen deze inkomsten onder bepaalde omstandigheden 'bezoldiging'

heten. Voor de Belgische belastingdienst maakte dat allemaal niet veel uit; die ging door met belasting heffen.

De knuppel werd pas enkele jaren geleden in het hoenderhok gegooid door de in Maastricht wonende ondernemer A. Freens. Die was werkende vennoot in een P.V.B.A. en betwistte als inwoner van Nederland het recht van de Belgen om van hem belastinggeld te eisen. Volgens de heer Freens is het te gek dat Belgie de heffing baseert op een verdragsartikel over 'ondernemingswinsten' terwijl het zelf zijn inkomsten een andere naam heeft gegeven. De Belgische belastinginspecteur vond evenwel dat hij alle recht van de wereld had om - via een omweggetje - gewoon te heffen. De nieuwe benaming bestond nog niet toen het verdrag werd ondertekend, zodat men zijns inziens moet uitgaan van wat beide regeringen met het belastingverdrag wilden bereiken. Dat was overduidelijk een belastingheffing in Belgie.

Van die redenering wil de hoogste Belgische belastingrechter - het Hof van Cassatie in Brussel - niets weten. Als Belgie bepaalde inkomsten niet meer betitelt als ondernemingswinst, dan mag zij ook de verdragsbepaling over winsten niet meer hanteren. Er staat een slotartikel in het verdrag dat bepaalt dat de heffing, als er geen verdragsbepaling van toepassing is, toedeelt aan het land waarin iemand woont. Dat is in dit geval Nederland. 'Voor de Nederlandse fiscus zie ik in gewone situaties geen enkele mogelijkheid om dit in Belgie verdiende inkomen hier te belasten', aldus mr. Anita Stez, Belgie-deskundige bij het belastingadviesbureau Coopers & Lybrand.

Maar omdat de heer Freens in Maastricht woont, zou hij volgens haar heel misschien toch hier belast kunnen worden op grond van bepaalde regelingen die voor grensarbeiders gelden. Daarmee schiet de Belgische fiscus natuurlijk nog niets op. Die ziet het geld aan zijn neus voorbij gaan.

Het paradoxale is dat mr. Stez haar stellige mening baseert op hetzelfde belastingverdrag dat eerst in de richting van Nederland wees. Dat zit zo. Door de inkomsten van de heer Freens bij wet niet als ondernemerswinst maar als bezoldiging te kwalificeren, mocht de Belgische fiscus het artikel over ondernemingswinst niet meer toepassen. De heffingsbevoegdheid komt vervolgens via het slotartikel naar Nederland. Naar het Nederlandse belastingrecht vormen de inkomsten van de heer Freens evenwel loon. Het verdrag staat Nederland niet toe belasting te heffen over in Belgie verdiend loon. Mag Belgie de heer Freens dan toch belasten, maar dan op grond van een ander artikel? In beginsel wel, maar nu hebben we te maken met het loonbegrip in het Belgische belastingrecht. Dat wijkt wat af van het Nederlandse en onder dat Belgische loonbegrip - zoals dat voor het verdrag van belang is - kunnen de werkzaamheden van de heer Freens niet worden ondergebracht; dus geen belastingheffing.

Kortom de heffingsbevoegdheid cirkelt wat heen en weer over Nederland en Belgie, om vervolgens in het niets op te lossen. Mr. Stez geeft de Maastrichtse ondernemer en de anderen in zijn positie een hele goede kans belastingvrij door het leven te gaan. Tot er iets aan gebeurt, want het is duidelijk dat zo'n situatie elke fiscus door de ziel snijdt.

Er staan daarvoor eigenlijk maar twee wegen open. De Belgen kunnen hun eigen belastingwetgeving aanpassen maar dat roept weer een heleboel complicaties op bij de gewone binnenlandse belastingheffing. Ze kunnen ook proberen Nederland warm te krijgen voor een verdragswijziging.

Inmiddels bevestigen zowel het Haagse als het Brusselse ministerie van financien dat er inderdaad wordt gesproken over een gedeeltelijke verdragsherziening. In Brussel is men evenwel benauwd dat de Nederlandse bereidheid om een Belgisch probleem op te lossen, moet worden betaald met een Belgische concessie op ander terrein. Hoog op het Nederlandse verlanglijstje prijken dan maatregelen om de fiscale aantrekkingskracht die Belgie uitoefent op Nederlandse bedrijven en particulieren wat te temperen.