Kamer veroordeelt tegenstrijdige uitlatingen over Suriname; Onenigheid heet 'accentverschil'

DEN HAAG, 5 JUNI. Minister-president Lubbers heeft de onenigheid met minister Van den Broek van buitenlandse zaken over de vraag of militair ingrijpen in Suriname op voorhand uitgesloten moet worden of niet, gisteren in de Tweede Kamer teruggebracht tot een “accentverschil” over de vraag of dit juist nu naar voren moest worden gebracht. Niettemin werden de tegenstrijdige uitlatingen over de mogelijkheid van een Nederlands militair ingrijpen in Suriname door de Tweede Kamer eenduidig veroordeeld.

In een door D66 ingediende motie, die morgen in stemming komt, staat dat afbreuk is gedaan aan de zorgvuldigheid en de geloofwaardigheid van het regeringsbeleid. De motie nodigt de regering uit ervoor te waken dat in de toekomst de eenduidigheid van het buitenlands beleid is gewaarborgd.

Naast een accentverschil wat betreft de analyse of men over een militair ingrijpen moet speculeren, was er nog slechts een ander verschil in hun beider optreden geweest, aldus Lubbers: Van den Broek had gezegd dat ingrijpen slechts “met andere landen” mogelijk zou zijn en hijzelf had daarvoor in een vraaggesprek met Den Haag Vandaag de Verenigde Naties als instantie genoemd.

Wolffensperger van D66 (fractievoorzitter Van Mierlo was ziek) noemde het optreden van de beide bewindslieden “amateuristisch”. Deze werkwijze voldeed niet aan de eisen van zorgvuldigheid en eenduidigheid die aan het buitenlands beleid moet worden gesteld, aldus Wolffensperger.

Woltgens wees op de “verwarring” die er door was ontstaan in Nederland en Suriname, Bolkestein (VVD) repte van een “abominabele indruk” in het buitenland en van schade voor de verhoudingen in Suriname. Brinkman (CDA) noemde het “minder verstandig” de indruk te wekken alsof het kabinetsbeleid op straat en niet in de Treveszaal wordt gemaakt.

Lubbers koos als verdedigingspositie de stelling dat minister Van den Broek vorige week dinsdag in het overleg met de Kamer, waarin hij militair ingrijpen niet bij voorbaat wilde uitsluiten, “geen actueel beleidsvoornemen” had uitgesproken maar slechts een “formele analyse ” had gegeven. Daardoor had hij deze uitspraak ook niet aan de ministerraad hoeven voor te leggen en kon, maar dat zei hij niet, Lubbers ook niet verweten worden een lid van zijn eigen kabinet tegen te spreken.

Dat Lubbers zich zowel op vrijdag 24 mei (“surrealistisch scenario”) als afgelopen vrijdag (“nee, ook niet als de regering er om vraagt”) zo had uitgelaten als hij had gedaan, kwam voort, zei hij, uit bezorgdheid over geruchten als zouden er binnen het kabinet concrete plannen voor een militair ingrijpen bestaan. Dat was de verklaring voor zijn interventie. Lubbers had dergelijke geruchten willen ontzenuwen, omdat zij geheel in strijd waren met de actuele situatie.

Toch sloot ook premier Lubbers niet onder alle omstangheden een militair ingrijpen uit. Dan moest er echter wel van een hele calamiteuze situatie sprake zijn, bijvoorbeeld wanneer Nederlandse onderdanen met geweld zouden worden aangepakt.

De premier gaf in het debat uiteindelijk toe dat de wijze waarop deze kwestie in het parlement en in de media was gepresenteerd aanleiding tot misverstanden had kunnen geven. Minister Van den Broek zei zo weinig mogelijk. Hij legde er de nadruk op dat de premier hem niet voor zijn uitspraken over Suriname had gekritiseerd, maar dat hij, “gezien de publiciteit daaromheen, die de premier niet toeschrijft aan de manier waarop ik mij daarbij heb uitgelaten”, bang was dat de indruk zou ontstaan dat er scenario's voor ingrijpen binnen het kabinet bestonden.

Woltgens (PvdA), die geen verdere behoefte had aan tromgeroffel van kabinetszijde, legde een relatie tussen deze discussie en de onenigheid vorige zomer tussen Lubbers en Van den Broek over de competentie op buitenlands politiek terrein. Van oudsher hebben ministers van buitenlandse zaken er moeite mee, aldus de PvdA-fractieleider, de zo gewichtige landsbelangen aan de gebruikelijke procedures te onderwerpen. Volgens Van den Broek had Woltgens een “verkeerd dossier” van de plank gepakt: dat meningsverschil had met competentiestrijd niets te maken.

Brinkman (CDA) koos dezelfde uitweg als premier Lubbers: ingrijpen in Suriname is pas aan de orde wanneer het aan de orde is. Van scenario's voor opstomen van de vloot is geen sprake. Het zal gezien deze stellingname - dat geldt ook voor de andere fracties - moeilijk worden een motie van Beckers van Groen Links te verwerpen, die simpelweg vastlegt dat “Nederlands militair ingrijpen in Suriname op geen enkele wijze aan de orde is”.