Jury Gemeentelijke Aankopen laakt kwaliteit inzenders; Voorspelbare kunst in Fodor

Tentoonstelling: Gemeentelijke Kunstaankopen 1990, deel 1. T-m 16 juni in Museum Fodor, Amsterdam. Dagelijks 11-17 u. Catalogusprijs (f) 15,-.

Het schilderij van Roland Berning van een stralend maar nogal simpel ogend ventje dat zijn hoedje licht, vormt een vrolijke binnenkomer op de tentoonstelling van Gemeentelijke Kunstaankopen in Museum Fodor. De titel van dit doek uit 1989 is Tepaoptm (The Extreme Positive Approach Of Painting Towards Mankind). Of het publiek ook zo positief op de schilderkunst zal reageren, valt nog te bezien.

De jury was in ieder geval niet zo te spreken over het grote aantal kunstenaars (916) dat werk inzond. Zij werd, aldus het juryrapport, “geconfronteerd met zeer veel werk dat onmogelijk in aanmerking kon komen om te worden toegevoegd aan de collectie van het Stedelijk Museum - Zo worstelt de jury zich de eerste week door een grote hoeveelheid werk van inzenders die de schijn wekken te reageren op iedere oproep tot inzending”. Het aantal inzenders is echter niet extreem hoog in vergelijking met de voorgaande jaren.

Dat de kunstenaars die nu tevergeefs hun werk inzenden het verschil niet zouden kennen tussen deze Gemeentelijke Kunstaankopen I die bestemd zijn voor het Stedelijk en de Gemeentelijke Kunstaankopen II die bestemd zijn voor de artotheken, zoals de jury meent, lijkt mij onwaarschijnlijk. Zolang er een vrije inzending is, heeft iedereen het recht zijn werk of de documentatie ter beoordeling in te sturen.

Maar is dit democratische standpunt niet zo langzamerhand achterhaald en kan het Stedelijk niet beter zelf met dit aankoopbedrag (vijf ton) in Amsterdam en omstreken boodschappen gaan doen? Sommigen denken kennelijk in die richting.

Hoewel er aan het principe van de vrije inzending ook andere bezwaren kleven - soms ontbreken interessante kunstenaars of sturen ze niet hun beste werk in - is dat mijns inziens geen reden om het af te schaffen.

Door een directe oproep te doen of op atelierbezoek te gaan worden deze bezwaren ondervangen.

Blijft de grote hoeveelheid kunstwerken van middelmatige tot slechte kwaliteit die de jury verplicht is te bekijken. Dat is geen aangename bezigheid, maar voor onbekende (jonge) kunstenaars is het wel een van de mogelijkheden om zich te presenteren. Het Stedelijk Museum wil, begrijpelijk, zijn invloed op de aankopen vergroten, maar blijf ik de voorkeur geven aan deze open werkwijze met een breed samengestelde jury. Het kan niet alleen verfrissend zijn, maar biedt ook tegenwicht tegen een bijna onvermijdelijke bedrijfsblindheid.

De presentatie van de gemeente-aankopen in Fodor Museum - er werden 76 werken van 55 kunstenaars aangekocht - vindt plaats in twee etappes.

Op deze eerste tentoonstelling (de tweede begint 24 augustus) zijn mooie werken te zien van kunstenaars als Frank van den Broeck, Sigurdur Gudmundsson, Roy Villevoye en Waldo Bien. Van de laatste is een monumentaal werk aangekocht, dat bestaat uit zes met Nijlsediment beschilderde doeken. Drie van deze doeken hebben lijsten die gemaakt zijn van in Afrika door het Westen gedumpte gifvaten.

Bij de schilders trof mij een zekere matheid en voorspelbaarheid. Een uitzondering is de uit Schotland afkomstige Tim Benjamin die in zijn dubbelzinnige in zonnige kleuren geschilderde 'Breakfast' (1989) op ingenieuze wijze een opgewekte Kellog's ontbijtsfeer combineert met een bijna onopvallende ondergang van de wereld.

Behalve schilderijen vormen foto's een belangrijk deel van deze aankopen. Van Ania Bien is er een ontroerend fotowerk te zien waar zij haar hand op een portret van Kafka legt, naar aanleiding van een zin die hij in 1924 schreef, 'if you place your hand on my forehead...'.

Een van de jongste kunstenaars in deze selectie, Anne van Oers (1961), is vertegenwoordigd met een aangrijpende serie portretten in zwart-wit van demente bejaarden.

Het aanbod van tekeningen en grafiek was dit jaar niet erg groot en textiele werkvormen ontbraken bijna geheel. Het enige werk dat in deze laatste categorie werd verworven is een lelijk in macrame en kralen uitgevoerd wandkleed van Paul Perry. Een ander werk dat wat mij betreft beter niet had kunnen worden aangekocht, is een drieluik van Seymour Likely. Hierop kijken twee biggetjes, geflankeerd door twee roze geschilderde doeken, met hun kop boven een hok uit. Waarom dit melige werk wel in aanmerking kwam om te worden toegevoegd aan de collectie is mij een raadsel. Of zou het Stedelijk een tentoonstelling voorbereiden over het Varken in de kunst?