JIANG QING (1914-1991); Culturele tsarina

PEKING, 5 JUNI. Zelfmoord is het meest logische besluit voor het buitensporige leven dat Jiang Qing heeft geleid. Volgens haar doodvonnis van 1981 had zij het gewelddadig vervolgen van 729.511 mensen op haar geweten, van wie er 34.800 omkwamen. Alles gebeurde in naam van een 'hoger ideaal' en zoals zij door de rechtszaal schreeuwde op bevel van haar man, de 'Grote Roerganger': “Ik was zijn hond, als hij bevel gaf om iemand te bijten, dan deed ik het”.

De prominenten onder haar slachtoffers, waren echter topleiders tegen wie zij een persoonlijke vendetta voerde omdat die haar huwelijk met Mao in 1939 in de revolutionaire hoofdstad Yanan hadden willen voorkomen. Zij was daar na een verpauperde jeugd in haar geboorteprovincie Shandong en enige avontuurlijke jaren in het kosmopolitische Shanghai op 24-jarige leeftijd met een filmploeg heengereisd en werd spoedig de maitresse van Mao. De 45-jarige Mao was niet van zijn huwelijksplannen af te brengen en uiteindelijk werd een compromis bereikt. Mao mocht haar trouwen, maar dan moest zij uit de politiek blijven.

Tegen haar Amerikaanse biografe Roxane Witke zei Jiang in 1972: “Sex is interessant gedurende de eerste paar ronden. Wat het interessant houdt op langere termijn is macht.” Begin jaren zestig zag zij haar kans. De bezeten Mao was na het debacle van de 'Grote Sprong Voorwaarts' door de pragmatici in de partij-top, onder anderen president Liu Shaoqi en secretaris-generaal Deng Xiaoping op een zijspoor gezet en Mao verlegde zijn basis naar Shanghai om met niets ontziende middelen zijn macht te heroveren. Jiang Qing werd de culturele tsarina, die de hele Chinese kunst in een banaal, proletarisch keurslijf perste.

Haar eerste doelwit waren de schrijvers en filmers die haar in de jaren dertig in Shanghai hadden gekend en roddels over haar lichtzinnige leven verspreidden.

Toen Mao de Rode Gardisten lanceerde werd zij de ultra-radicale furie achter deze jeugdbendes, die het hele land in chaos en anarchie stortten. Na de militaire beeindiging van de meest gewelddadige fase van de Culturele Revolutie in 1969, allieerde Jiang zich met Lin Biao, een ultra-linkse bonapartist, die als 'intieme wapenbroeder van de Grote Roerganger' tot opvolger van Mao was aangewezen. In 1971 kwam Lin echter na een mysterieuze coup tegen Mao op de vlucht om het leven. Daarop begon Jiang aan haar eigen komplotten voor de opvolging van Mao te werken. Zij lanceerde een surrealistische campagne tegen Lin Biao en Confucius die tot doel had om premier Zhou Enlai ten val te brengen. Zhou wist in 1973 Mao echter te overreden om Deng Xiaoping te rehabliteren, waarmee een bijna onneembaar obstakel tegen haar ambities werd opgericht.

Ongeveer van die tijd dateert de frictie tussen haar en Mao, die gewaarschuwd zou hebben tegen een geheime 'bende van vier', waarin zij de hoofdrol speelde. In 1976 kwam de strijd op leven en dood. Eerst stierf Zhou Enlai, waarop de vier alle krachten mobiliseerden voor een nieuwe campagne tegen Deng Xiaoping. In april werd Deng voor de tweede keer ten val gebracht. De volslagen seniele Mao naderde zijn einde en Jiang Qing leek haar brandende ambities te hebben verwezenlijkt. Naast de stroman Hua Guofeng leek zij vier maanden lang de opperste heerseres over China. Haar tijdelijke almacht was echter geheel gebaseerd op de manipulatie van de Mao-mythe. Op 9 september stierf Mao en 27 dagen later werd zij tijdens een militaire coup met haar drie mede-bendelieden gearresteerd.

Het land was uitzinnig van vreugde en maandenlang werden fantastische massa-campagnes gehouden. Alle mislukkingen en rampen sinds 1949 werden niet aan de communistische partij, maar aan de bende van vier verweten. Dat was vol te houden tot het showproces tegen de bende van vier, eind 1980, begin 1981, maar toen onderdrukkings- en ideologische campagnes evenzeer een deel van het beleid van Deng Xiaoping bleken, verloor dat midden jaren tachtig zijn geloofwaardigheid.

Jiang heeft volgens Chinese populaire krantjes de hervormingen van de jaren tachtig met grondige afkeer gevolgd. Haar invloed is nooit volledig uitgeroeid. Een van haar vroegere haat-pamflettisten Xu Weicheng is tweede man in het Centrale Propaganda Departement en is de schrijver van het redactioneel hoofdartikel in het Volksdagblad van 27 april 1989 waarin de studentenbeweging als een 'komplot met voorbedachte rade voor het omverwerpen van de communistische partij'

werd gebrandmerkt. Herroeping van dat hoofdartikel was de hoofdeis van de studenten en de weigering van het regime om toe te geven het voorspel tot het bloedbad van twee jaar geleden.