Huurders lachende derde bij verzet tegen Heerma

DEN HAAG, 5 JUNI. Toch nog een opstand tegen de huurverhoging van 5,5 procent? Het lijkt er een beetje op en opvallend genoeg komt het verzet niet op de eerste plaats van de huurders, maar van de verhuurders, te weten een aantal woningbouwverenigingen.

Toen het kabinet en de Tweede Kamer het in februari bij de behandeling van de Tussenbalans eigenlijk al over de (extra) huurverhoging eens werden, bleef het leeg op het Binnenhof. Toen de Tweede Kamer en - vorige week - de Eerste Kamer ook formeel de huurverhoging die 1 juli moet ingaan, steunden, bleek er niet iets als een Verenigd Verzet van Verontwaardigde Huurders te bestaan. De Woonbond, de landelijke vereniging van huurders en woningzoekenden, morde wel wat, maar kwam niet verder dan de mededeling dat zij slechts het verzet tegen de huurverhoging van 1992 (ook 5,5 procent volgens de kabinetsplannen) kon organiseren. Inmiddels heeft de Woonbond wel laten weten van mening te zijn dat staatssecretaris Heerma alle corporaties de gelegenheid moet geven om met een lagere huur te komen.

De rust die het (ver)huurdersfront de laatste jaren kenmerkt, werd vorige week doorbroken toen twee woningbouwverenigingen in Groningen en een in Alkmaar die bekendmaakten dat zij de huurverhoging van 5,5 procent voor een deel van hun woningen niet zouden doorvoeren. Zij weigerden de aanzegging aan de huurders de deur uit te doen.

Inmiddels schat directeur N. van Velzen van de Nationale Woningraad, een van de twee overkoepelende organisaties van woningbouwverenigingen, dat 80 van de 800 corporaties dat voorbeeld hebben gevolgd. Een precies cijfer weet niemand, Van Velzens vermoeden is gebaseerd op een globale inventarisatie bij zijn organisatie en op ervaringen uit eerdere jaren toen er ook altijd een aantal woningbouwverenigingen was dat onder de centraal opgelegde huurverhoging uit trachtte te komen.

Formeel weet het ministerie van volkshuisvesting van niets, maar afgaande op berichten in de krant zijn ambtenaren van staatssecretaris Heerma inmiddels de gedragingen van de corporaties aan het onderzoeken. Deze verhuurders zullen op de vingers worden getikt als ze de huurverhoging op eigen houtje achterwege hebben gelaten. Want dat is tegen de regels. Woningbouwverenigingen moeten de wettelijk voorgeschreven huurverhoging aan de huurders opleggen. Het ministerie kan ze daartoe ook dwingen. Los daarvan kunnen ze de staatssecretaris vragen een lagere huur toe te passen, bijvoorbeeld uit vrees voor leegstand. Heerma wil dan eerst de mening van de gemeente weten, alvorens hij een beslissing neemt. De laatste 2 1-2 jaar hebben 76 corporaties 107 maal gevraagd om een lagere huur, zo liet het ministerie gisteren desgevraagd weten. Daarvan zijn tot nu toe 67 aanvragen goedgekeurd.

Mogelijke - of zelfs al feitelijke - leegstand was precies de reden voor de drie woningbouwverenigingen die dat bekend hebben gemaakt om de huurverhoging achterwege te laten. Dat ze dat reeds bij voorbaat hebben gedaan, heeft de toorn van Heerma opgeroepen. Hoe deze strijd ook zal aflopen - met de wet in hand maakt Heerma de meeste kans gelijk te krijgen - de huurders van de bewuste woningen zijn voorlopig de lachende derde. De wet schrijft evenzeer voor dat een nieuwe huur een maand vooraf de huurder moet worden aangezegd. De geplande datum van 1 juli is dus al niet meer haalbaar als die aanzegging niet voor 1 juni bij de huurder is bezorgd. Een huurverhoging met terugwerkende kracht doorvoeren is ook tegen de regels.

Ogenschijnlijk maakt Heerma zich druk om niets. Dat woningbouwverenigingen de wettelijke huurverhoging niet in de praktijk willen brengen kost hun geld en niet het rijk. De meeropbrengst van de extra huurverhoging wordt op de rijkssubsidie voor de exploitatie van de woningen in mindering gebracht. Ook als die meeropbrengst er feitelijk niet is; de woningbouwvereniging die de huurverhoging verzuimt door te voeren, moet dan haar reserves aanspreken.

Daar schuilt voor de staatssecretaris een adder onder het gras. Het is een algemeen volkshuisvestingsbelang dat de reserves van de corporaties op peil blijven. Want die reserves kunnen hard nodig zijn als door vermindering van de onderhoudssubsidies voor al 'afbetaalde'

woningen, waartoe het kabinet bij de Tussenbalans eveneens heeft besloten, woningcorporaties in financiele problemen komen. Globaal gesproken gebeurt dat niet; dank zij de extra huurverhoging is de vermindering van de onderhoudssubsidie op te vangen.

Maar 'arme' corporaties met een verouderd woningbezit bijvoorbeeld, kunnen wel in financiele nood komen. Een regel is het nog niet, maar op het ministerie wordt gestudeerd op een methode van verevening, zodat de 'rijke' corporaties in zo'n geval bijspringen. Maar dan moeten ze wel hun reserves op peil houden. Dat betekent dat Heerma zich niet kan veroorloven dat de huurverhoging massaal wordt ontweken.

Toch zijn de woningbouwverenigingen die ter bestrijding van de leegstand een eigen huurbeleid wensen te voeren hun tijd enigszins vooruit. Later in de jaren negentig wordt van de corporaties een veel grotere zelfstandigheid verwacht, ook bij het vaststellen van de huurprijs. Met het 'huursombeleid' wordt nu - met instemming van de staatssecretaris - bij drie woningbouwcorporaties geexperimenteerd.

Zij mogen binnen zekere grenzen de huren naar eigen inzicht verhogen of verlagen, zolang de totaalopbrengst van hun woningbezit maar gelijk blijft. Op die manier kunnen de sociale verhuurders zich beter tot de markt richten: geliefde woningen worden duurder gemaakt, moeilijk te verhuren flats juist goedkoper. Het is een systeem dat pas na de lopende kabinetsperiode op grotere schaal zal worden ingevoerd. Naar verwachting komt dan ook aan het nogal als rigide ervaren systeem van een op centraal niveau vastgestelde huurverhoging een einde. Het debat over de huren verplaatst zich dan meer en meer van het Binnenhof naar de corporaties en de gemeenten.