Eureka heeft waarde bewezen met flexibele aanpak

Nederland is nog steeds niet voldoende ingesteld op nieuwe technologie. Het blijft technologisch achter bij een aantal andere Europese landen en zeker bij Japan. De noodzakelijke vernieuwing in en van het bedrijfsleven blijft daardoor ook achter bij wat wenselijk is. Dit wringt des te meer nu de economie van elk land steeds meer onderdeel uit gaat maken van een wereldeconomie. Een land dat niet voldoende open staat voor nieuwe technologie loopt het gevaar zich buitenspel te plaatsen.

In alle landen van Europa doet zich, zij het in mindere mate, iets dergelijks voor. De vraag is niet langer of de Europese landen afzonderlijk in staat zijn de internationale concurrentie aan te kunnen, maar of Europa dat als geheel nog kan. En dan vooral visa vis de VS en Japan. Uitsluitend nationale reacties op de internationale uitdaging zijn niet langer voldoende. Allerwege wordt daarom het belang van een meer gentegreerde aanpak van het te voeren technologiebeleid in Europa onderschreven. Eureka krijgt daarbij, naast of beter in aanvulling op het Kaderprogramma van de EG, steeds meer aandacht.

Het publieke en politieke debat over de rol van technologie in het algemeen en Eureka in het bijzonder heeft behoefte aan nieuwe initiatieven. Vertegenwoordigers uit achttien van de twintig bij Eureka betrokken Parlementen zijn mede daarom onlangs op uitnodiging van het Nederlandse parlement in Den Haag bij elkaar gekomen om ervaringen uit te wisselen en ideeen aan te dragen voor een meer gentegreerd technologiebeleid. Deze conferentie was in zoverre uniek dat er geen forum is waar zo breed over problemen die voor de toekomst van Europa van doorslaggevend belang zijn, kan worden gesproken.

Voor het activeren van de publieke opinie bestaan duidelijke redenen. Zo is de discussie die in Europa wordt gevoerd niet uniek, in de VS zijn dezelfde geluiden te vernemen. Ook daar wordt geconstateerd dat in een aantal belangrijke sectoren van de economie terrein wordt verloren en men de internationale concurrentie niet meer aankan.

Technologie is ook hier de sleutel tot de toekomst. De vraag is of het in alle gevallen voor Europa en de VS wel zo erg is de boot te missen. Niet voor niets spreken we tegenwoordig van een echte wereldeconomie. Produkten van belangrijke Europese producenten worden all over the world geproduceerd en bevatten onderdelen uit een groot aantal landen. Politici zullen antwoord moeten geven op de vraag of het wel zo erg is dat we de boot dreigen te missen. Nog belangrijker is het antwoord op de vraag ten koste waarvan we dat willen en kunnen voorkomen.

Het versterken van de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven zal bovendien niet in de eerste plaats afhankelijk blijken van het verrichten van meer onderzoek. Het probleem in Europa is niet zozeer dat er te weinig aan onderzoek en ontwikkeling wordt gedaan. Het gemeenschappelijke probleem is veel meer dat het gebruik van beschikbare kennis onvoldoende is. Daarom dient veel meer aandacht te worden gegeven aan het vraagstuk van technologietransfer van universiteiten en onderzoeksinstellingen naar de markt. Dit is van het grootste belang voor het midden- en kleinbedrijf, de meest voorkomende vorm van het bedrijfsleven.

Op de conferentie is eveneens gesproken over de vraag hoe het klimaat voor technologische vernieuwing kan worden verbeterd. In dat verband is uitgesproken dat technologisch aspectenonderzoek in de besluitvormingsprocedures moet zijn inbegrepen. Niet als een losstaand onderzoekstraject, maar gentegreerd in de ontwikkeling van de technologie. Dit is vooral van belang voor de grote infrastructurele projecten, zoals HDTV. Als er niet wordt gezorgd voor een breder maatschappelijk draagvlak voor HDTV zal dit commercieel nooit een succes kunnen worden.

Door de parlementariers wordt Eureka als een succes gezien. Inmiddels dragen meer dan 400 projecten een Eurekastempel en werken meer dan 2000 bedrijven en ondezoeksinstellingen over de grenzen heen samen.

Daarmee is een basis gelegd voor een meer Europese onderzoeks- en ontwikkelingscultuur. Toch is niet gezegd dat er niets te wensen overblijft.

Zo is vastgesteld dat het van belang is normen en standaarden in Europa meer te harmoniseren, ook de procedures die bij Eurekaprojecten worden gevolgd zullen meer op elkaar moeten worden afgestemd. Die verschillen nog steeds teveel van land tot land, met alle gevolgen van dien voor de samenwerking binnen projecten. Voorts is beklemtoond dat het EG-Kaderprogramma en Eureka zo op elkaar moeten worden afgestemd dat de toegevoegde waarde van beide zo optimaal mogelijk is. Hier doet zich overigens een vraagstuk voor, waar ook door de verzamelde politici nog geen antwoord op is gegeven.

De vraag is of de industrie in Europa ertoe gebracht moet worden binnen bepaalde strategische gebieden zich meer als eenheid te presenteren? En dan vooral tegenover het Japanse en Amerikaanse bedrijfsleven. Daartoe zullen de maatregelen die in de verschillende landen worden genomen ter ondersteuning van de eigen industrie ook beter op elkaar moeten worden afgestemd. De bereidheid daartoe blijkt nog niet erg groot.

Overigens zijn het niet alleen de politici die moeite hebben de juiste Europese dimensie voor ogen te houden. Dat vraagstuk doet zich voor in de elektronica. De betreffende bedrijven blijken zich in een aantal opzichten weinig van zo'n wens aantrekken. In de informatietechnologie onderhouden bedrijven reeds een breed netwerk van samenwerkingsverbanden met bedrijven in Japan en de VS. Zo werkt Siemens samen met IBM en Toshiba. Het Britse ICL is inmiddels vrijwel volledig overgenomen door Fujitsu. Dat hoeft geen probleem te zijn, mits de samenwerking gebaseerd is op gelijkwaardigheid van Europese aan de andere bedrijven, daar is echter te weinig sprake van.

Eureka heeft zijn waarde bewezen door de flexibele aanpak. Er zijn geen logge besluitvormingsorganen en er is sprake van een bottom-up benadering. De bedrijven en instellingen moeten zelf initiatieven ondernemen. De nationale Eureka-secretariaten kunnen daarbij vanzelfsprekend behulpzaam zijn.

Toch is tegelijkertijd naar voren gebracht dat Eureka ook moet helpen een van de grootste problemen van deze tijd op te lossen. Vooral voor het milieuonderzoek zouden de activiteiten moeten worden uitgebreid.

Meer onderzoek dat procesgentegreerd is, meer preventieve activiteiten zijn nodig. Dat geldt tevens voor projecten die helpen de monumenten uit het verleden te conserveren. Ook daarvoor kan high-tech nuttig zijn.

Dit soort technologieen hoort niet in een vacuum te worden ontwikkeld. Parlementariers hebben er de nadruk op gelegd dat consultatie van allerlei groepen uit de gemeenschap nodig is om tot een zo concreet mogelijke probleemstelling te komen. Vanuit dezelfde brede optiek is erop aangedrongen dat de relatie met de landen in Oost- en Centraal Europa versterkt wordt opdat deze landen op termijn een eigen positie in Eureka verwerven.

foto: Meer aandacht moet worden gegeven aan technologietransfer van universiteiten en onderzoeksinstellingen naar de markt. (Foto Leo van Velzen)