De Oosteuropese norm van De Schelde

DEN HAAG, 5 JUNI. De directie van Koninklijke Maatschappij De Schelde moest dit voorjaar stevig slikken. Eerst ontdekte zij dat het ministerie van defensie in Den Haag buiten haar om al vorig jaar met Duitsland een principe-afspraak had gemaakt over uitwisseling van maritieme technologie. Daarna bedierf minister Ter Beek de stemming nog eens grondig met een Defensienota die onomwonden stelde dat het ministerie geen Nederlandse hofleveranciers meer nodig heeft.

De stemming bij De Schelde was toch al niet geweldig na de zwakke prestaties in 1990. De onderneming boekte een negatief bedrijfsresultaat van 1,1 miljoen gulden en moest haar winst van 15,1 miljoen gulden uitsluitend uit rentebaten halen.

“Wij zijn een gezond bedrijf”, zei directievoorzitter drs. P.B. Hiddinga gisteren niettemin nadrukkelijk in een toelichting op de jaarcijfers. Hij kon echter slechts pronken met een solide financiele positie, want operationeel gaat het lang niet alle onderdelen van de onderneming goed.

De twee jaar geleden voorgenomen reorganisatie van De Schelde (volledig eigendom van de Staat) wordt daarom versneld. Doel is de verambtelijkte structuren te vervangen door een decentrale organisatie. Daarin zouden zelfstandiger business units alerter kunnen inspelen op ontwikkelingen in de onderscheiden markten (naast nieuwbouw ook scheepsreparatie, ketel-, machine- en apparatenbouw, aluminium produkten, offshore).

Binnen een jaar schrapt De Schelde bovendien tweehonderd van de 3500 arbeidsplaatsen om het kostenniveau te verlagen.

Al sinds 1983 - toen de overheid De Schelde uit het bankroete RSV-concern tilde en met financiele steun in staat stelde te overleven - is de onderneming bezig te diversificeren: een groter deel van het werk moet uit de civiele sector komen. Om deze conversie mogelijk te maken, beloofde de Staat destijds de marinewerf ten minste tien jaar van werk te voorzien.

Nu 1993 nadert, begint De Schelde haast te krijgen. Want alles wijst erop dat de overheid straks inderdaad haar handen van het bedrijf aftrekt; is het niet als aandeelhouder, dan toch in ieder geval als vaste opdrachtgever. Ter Beek schreef in zijn recente Defensienota al dat Nederland uit kostenoogpunt zoveel mogelijk materieel 'van de plank wil kopen'. En die plank kan heel goed in een ander Navo-land hangen.

Ook de overeengekomen uitwisseling van maritieme technologie met Duitsland is een teken van veranderde tijden. Defensie wil zich onafhankelijker van De Schelde bewegen.

De Schelde laat de laatste weken - aan de vooravond van de behandeling van de Defensienota door de Kamer - geen gelegenheid voorbij gaan om te roepen dat de overheid snel moet beslissen aan wie zij de bouw wil gunnen van twee geleidewapenfregatten. Aanbesteding van de twee zogenoemde GW-schepen is namelijk pas voorzien in de tweede helft van de jaren negentig. De Schelde, die deze opdracht graag in de wacht zou slepen, zegt niet in staat te zijn haar hoogwaardige kennis van marinenieuwbouw op peil te houden als ze zolang in het ongewisse blijft over vervolgopdrachten.

Weliswaar heeft de werf tot 1995 nog de handen vol aan de bouw van een serie van acht fregatten, maar dat is niet voldoende. Zelfs de order voor de bouw van twee bevoorradingsschepen en een amfibisch transportschip, waarover De Schelde met Defensie onderhandelt, biedt volgens commercieel directeur ir. T.C. Bouwman geen soelaas.

De directievoorzitter stelde gisteren dat De Schelde de twee GW-schepen voor een prijs van 550 tot 600 miljoen gulden per stuk kan bouwen. Dat is volgens hem honderd miljoen gulden onder de prijs die de Duitse werf Blohm & Voss voor zulke vaartuigen vraagt.

Met een dergelijk prijsverschil zou De Schelde zich eigenlijk geen zorgen hoeven maken over de verwerving van de opdracht. Dat de onderneming alle registers opentrekt om zekerheid te verkrijgen over toekenning ervan lijkt veeleer te verwijzen naar een ander probleem: de overgang naar de produktie voor niet-militaire afnemers verloopt niet naar wens.

De Schelde meet het welslagen van de conversie naar civiele produktie af aan de aantallen medewerkers in die sectoren en de daarin gerealiseerde omzet. Een derde deel van de produktie is nog maar militair, namelijk de 310 miljoen gulden omzet in de scheepsnieuwbouw, en daarbij zijn vorig jaar slechts 771 van de ruim 3500 medewerkers betrokken geweest (nog geen 22 procent).

Een dergelijke opvatting van het fenomeen succes zou in Oost-Europa enkele jaren geleden nog aanvaardbaar zijn geweest. Voor een onderneming die geacht wordt zich te prepareren op een bestaan zonder concrete staatssteun of -opdrachten, zoals De Schelde, lijkt de uitleg wat beperkt. Een eerste voorwaarde voor overleving is immers dat de onderneming rendabel is.