Advocaten in Ira-zaak: procedures door OM ernstig geschonden

DEN BOSCH, 5 JUNI. Het openbaar ministerie heeft bij de vervolging van de vier verdachten in de IRA-zaak de regels van een goede procesorde zo ernstig geschonden dat het Hof in Den Bosch de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten uitspreken.

Tot die conclusie kwam vanmorgen mr. W. van Bennekom, een van de advocaten van de vier verdachten die in hoger beroep voor het Bossche Hof terechtstaan. Van Bennekom haalde drie “manoeuvres” aan om zijn stelling te onderbouwen dat het O.M. gegevens achterhoudt en de gevangenhouding van de verdachten traineert.

Volgens hem is nog steeds niet aannemelijk gemaakt waarom nog geen beslissing kan worden genomen over de vervolging van de studente Ingrid H., waarom in het dossier niets te vinden is over een zekere Paddy Fox, die vorig jaar in Rotterdam is aangehouden en waarom het appel tegen de uitleveringsdetentie van twee verdachten nog niet is behandeld. In alle drie de gevallen zou de positie van de verdachten benadeeld zijn.

Dat er nog geen beslissing is genomen over de vervolging van Ingrid H. acht Van Bennekom zowel in strijd met het gelijkheidsbeginsel als met het motiveringsbeginsel. De rechtbank in Roermond heeft volgens hem niet goed kunnen aangeven waarom de studente, die hand- en spandiensten aan enkele verdachten leverde, niet met hen terechtstaat.

Ook verbaast het de verdedigers dat er gegevens over een zekere Paddy Fox buiten het dossier zijn gebleven. Fox werd op 20 augustus vorig jaar aangehouden, nadat de politie in een kluis op het Rotterdamse centraal station een rugzak had gevonden met valse Ierse en Amerikaanse papieren. Volgens de advocaten wekten die papieren het vermoeden dat zij gebruikt zijn door een IRA-eenheid in Nederland. Uit eigen informatie is volgens advocate mr. M.J. Hegeman gebleken dat Fox een 'active service-unit' zou hebben gevormd met de IRA-leden Desmond Grew en Dermott Quinn.