Tussen Lubbers en v.d. Broek; Toenadering over Suriname blijft nog uit

DEN HAAG, 4 JUNI. Een toenaderingspoging tussen premier Lubbers en minister Van den Broek in geschil over militair ingrijpen in Suriname is zonder resultaat gebleven.

In een gesprek dat zij beiden gisteravond in aanwezigheid van CDA-fractieleider Brinkman hebben gevoerd zijn ze niet werkelijk nader tot elkaar gekomen. Premier Lubbers blijft van mening dat de suggestie van een eventueel militair ingrijpen een “vals signaal” aan Suriname is. Minister Van den Broek zegt dat men onmogelijk op voorhand een militair ingrijpen kan afwijzen als een dergelijk verzoek zou komen van een op democratische wijze tot stand gekomen regering. In een door hen beiden ondertekende brief over Suriname vanmorgen aan de Tweede Kamer wordt met geen woord gerept over het verschil van mening. In een bij de brief gevoegde 'Notitie inzake Suriname' wordt alleen wat uitvoeriger ingegaan op de plannen die in het bijzonder premier Lubbers naar voren heeft gebracht vooeen gemenebest-achtige relatie tussen Nederland en Suriname. Daarbij wordt ook de mogelijkheid opengehouden voor een “gezamenlijke verantwoordelijkheid” op defensiegebied. In de brief wordt er nadrukkelijk op gewezen dat deze alleen mogelijk is op basis van een verdrag tussen beide landen. De beide CDA-bewindslieden staan onder zware druk van de CDA-fractie, die verdeeld dreigt te raken over Suriname. Ondanks deze druk hebben Lubbers en Van den Broek geen gemeenschappelijke formulering kunnen vinden, die het conflict zou kunnen oplossen. In kringen van de CDA-fractie verwacht men dat de beide bewindslieden vanavond in een op verzoek van D66 en de VDD ingelast Kamerdebat met de fractieleiders hooguit kunnen proberen hun meningsverschil als niet zeer groot te presenteren. Premier Lubbers deed dat gisteravond al in een tv-vraaggesprek waarin hij het had over een “storm in een glas water”. Er bestond, zei hij, “eigenlijk geen groot verschil van inzicht” tussen hen beiden over Suriname. Lubbers deed deze uitspraken in het AVRO-programma 'Televizier Politiek', dat aan het begin van de avond was opgenomen, voordat hij over deze zaak een gesprek van ruim een uur met Van den Broek en Brinkman voerde. In dat gesprek werd besloten de notitie over een eventuele nieuwe relatie met Suriname aan de Kamer te sturen. Deze notitie is eerder opgesteld door een werkgroep van vier ministers (Lubbers, Van den Broek, Pronk en Hirsch Ballin). Pag. 3: 'Gemenebest': kabinet geen standpunt Van den Broek heeft zich buitengewoon gestoord aan het feit dat hij namens het kabinet een standpunt heeft ingenomen in het Kamerdebat over Suriname vorige week en dat dit standpunt enkele dagen later door de premier is aangevochten, zonder dat daarover in het kabinet of tussen hen beiden overleg is geweest. In het Kamerdebat werd Van den Broek trouwens afgevallen door CDA-fractiewoordvoerder Aarts, die de uitspraken van de minister over militair ingrijpen “op z'n minst niet prudent” noemde.

Later in de week corrigeerde fractieleider Brinkman onder druk van de bui(tenland-specialisten Gualtherie van Weezel en De Hoop Scheffer het beeld dat de fractie Van den Broek had laten vallen door eveneens ten aanzien van Suriname te verklaren dat fysiek geweld soms nodig kan zijn.

De basis voor een uitweg uit het conflict zou vorige week door Lubbers zelf gelegd kunnen zijn. In zijn gesprek met Den Haag Vandaag, waarin hij zijn 'nee' tegen militair ingrijpen uitsprak, gaf hij ook aan dat als er na een grondwetswijziging door de nieuwe Surinaamseregering, waarin de macht van het leger wordt beperkt, alsnog een staatsgreep zou plaatsvinden, er “een bijzondere situatie” zou kunnen ontstaan.

Lubbers' woorden zouden zo uitgelegd kunnen worden dat daarin toch de mogelijkheid van militair ingrijpen zit. Lubbers verbond deze “bijzondere situatie” echter met een ingrijpen door de Verenigde Naties. Minister Van den Broek heeft er op gewezen dat de Verenigde Naties niet ingrijpen in binnenlandse kwestiesaar alleen in conflicten tussen landen. In de tv-uitzending zei Lubbers gisteravond dat Nederland niet met z'n rug naar de Surinaamse problemen mag gaan staan. “We moeten dus op een creatieve en tegelijk stevige manier kijken wat we kunnen doen, om tot daadwerkelijke veranderingen en verbeteringen in de situatie te komen.” Hij noemde de verhouding met Suriname “een ernstige, in die zin dat wij een verdrag hebben van ontwikkelingssamenwerking wat niet echt functioneert, omdat er ginds naar ons oordeel iets hapert aan de democratie”. Hij sprak in dit verband van “een te grote feitelijke invloed van het leger”. De positie van het leger vormt in zijn ogen een belemmering voor een werkelijk democratische en sociale rechtsorde. “En dat straalt dan ook uit naar gebieden als bijvoorbeeld de bestrijding van drugs, wat op dit moment in ieder geval niet goed gaat. In de vanmorgen naar de Kamer gestuurde notitie staat overigens uitdrukkelijk, dat het kabinet nog geen standpunt he bepaald omtrent een mogelijke nauwere band met Suriname. “Wel is duidelijk dat met Nederland hierover valt te praten, zo Suriname dat zelf wil.” Daarbij zal het gaan, aldus het stuk, “om een nauw bondgenootschap tussen twee soevereine staten, te regelen bij verdrag, met wederzijdse mogelijkheid tot opzegging.” Het pakket, dat volgens de ministerswerkgroep het nieuwe verdrag met Suriname zou moeten omvatten, bestaat minstens uit de volgende onderdelen: monere en economische sanering; versterking van het overheidsapparaat; beeindiging militaire invloed; inhoudelijke afstemming buitenlandse politiek; waarborging kwaliteit en onafhankelijkheid rechtspraak; voortzetting Nederlandse financiele hulp.