Toekomstige structuur Europa aan bod tijdens Nederlands voorzitterschap; Kamer: alleen democratische EG

DEN HAAG, 4 JUNI. Nederland mag alleen genoegen nemen met een democratisch georganiseerde Europe Gemeenschap. De Tweede-Kamercommissie voor EG-zaken heeft dat gisteren onomwonden tot uitdrukking gebracht in een bijna Kamerbreed gesteunde motie van de CDA'er Van der Linden. De regering moet er tijdens het komend Nederlands EG-voorzitterschap op toezien, zo staat er, “dat het communautair karakter van de Gemeenschap niet wordt aangetast en dat het democratisch karakter wezenli wordt versterkt”.

Minister Van den Broek en staatssecretaris Dankert, die de hele middag en avond met de Kamercommissie vergaderden over het voorzitterschap, steunden de motie. Ze waren het ook eens met de Kamerleden dat de voorstellen zoals die tot nu toe zijn voortgekomen uit de Intergouvernementele Conferentie van de twaalf lidstaten voor een Europese Politieke Unie niet voldoen aan de door Nederland gewenste structuur van een federaal Europa, waarin b meerderheid van stemmen wordt beslist en afzonderlijke landen geen veto's meer kunnen uitspreken. Minister Van den Broek, die gistermiddag terugkeerde van een informeel overleg met zijn EG-collega's in Dresden, hield de Kamerleden voor dat de discussie over de toekomstige structuur van Europa nog volstrekt open ligt. Een toenemend aantal landen neigt echter meer en meer naar het Nederlandse streven om vast te houden aan een communautaire structuur. Groot-Brittannie, Denemarken en Frankrijk gaan daahet minst in mee. De keuze, die in het komend halfjaar moet worden gemaakt, gaat tussen een door de huidige EG-voorzitter Luxemburg gepresenteerde 'pijlerstructuur' enerzijds en een situatie met uiteindelijk een rechtsorde in Europa anderzijds. Over dat laatste heeft voorzitter Delors van de Europese Commissie een week geleden een informeel voorstel gedaan dat volgens Van den Broek weliswaar nog een aantal onvolkomenheden heeft, maar waar Nederland in principe achter kan staan. De pijlerstructuur staat sterk onder invloed van Franse denkbeelden, zo werd in de Kamercommissie geconstateerd. Het voorstel gaat uit van het naast elkaar bestaan van drie pijlers in Europa. De eerste pijler is de huidige Gemeenschap, die vooral economisch is. Daar komt nu nog de Europese monetaire unie bij. De tweede pijler bestaat uit de politieke samenwerking op buitenlands politiek en veiligheidsterrein.

De derde pijler wordt gevormd door de rest van de intergouvernementele samenwerki, zoals op justitieel terrein. De tweede en de derde pijler worden in feite beheerst door de Europese Raad van regeringsleiders; elk land kan zijn veto uitspreken. Van den Broek: “In het Luxemburgse voorstel worden de schotten tussen de pijlers wel doorlaatbaar gemaakt, maar elke pijler heeft zijn eigen spoorboekje en zijn eigen spelregels.

Van een Europese eenheid en van een rechtsorde is geen sprake.'' Kamerlid I. Brouwer (Groen Links) drong er bij haar collega's op aan het voorbeeld van het Italiaanse parlement te volgen en nu al uit te spreken aan het eind van het jaar een verdrag te zullen verwerpen over de Europese Politieke Unie, dat niet van een democratisch georganiseerd Europa uitgaat. In de motie van Van der Linden zat dit element enigszins verborgen: de Kamer kan moeilijk aandringen op een democratisch versterkt Europa en vervolgens een EPU-verdrag ratificeren waarin die versterking niet voorkomt. Een tweede prioriteit van het Nederlands EG-voorzitterschap moet, althans volgens vrijwel alle fracties in de Tweede Kamer, Oost-Europa zijn. Nederland moet er voor zorgen dat in het komend halfjaar de Midden- en Oosteuropese landen een reeel perspectief krijgen op een volwaardig lidmaatschap. PvdA-woordvoerder Lonink wilde daarbij het liefst in een motie het jaar 2000 noemen a tijdstip waarop de Midden- en Oosteuropese landen EG-lid zouden moeten kunnen zijn. Het werd hem sterk ontraden door minister Van den Broek, die weliswaar zelf als eerste die datum heeft genoemd in relatie tot deze landen (weliswaar voorzien van het woordje 'omstreeks'), maar die er nu voor waarschuwde dat landen als Portugal en Griekenland grote moeite zullen hebben met een vrije markttoegang tot de EG van allerlei Oosteuropese produkten.

Niettemin spraken afzonderlijke moties van Van der Linden en Lonink van een snelle totstandkoming van associatie-akkooen tweede generatie met daarin opgenomen het perspectief op toetreding. Tot associatie behoort, zoals staatssecretaris Dankert het noemde, een “geprivilegeerde toegang van die landen tot de EG-markt”. Van der Linden wilde dat Oost-Europa de eerste prioriteit werd voor de EG, een aandacht die naar zijn mening best ten koste mocht gaan van de sterke aandacht voor het Midden-Oosten.